Overweging

Na de Abrahamcyclus in Genesis komt de Jakobcyclus (Isaak krijgt niet echt een eigen verzameling van verhalen). De geschiedenis van Jakob is even merkwaardig als typologie voor het joodse volk als die van Abraham. Jakob is een bedrieger (de naam zegt het). Hij bedriegt zijn broer Esau, hij bedriegt Laban; hij strijdt met iedereen, zelfs met God. Maar doorheen de verschillende episodes van de cyclus wordt duidelijk dat in Jakobs verhaal ook het verhaal van Israëls uitverkiezing geschreven wordt.

EERSTE LEZING                                Gen. 27, 1-5. 15-29

Jakob bedriegt zijn broer enontneemt hem zijn zegen.

Uit het Boek Genesis

Isaäk was oud geworden en zijn ogen werden zo zwak
dat hij niet meer kon zien.
Daarom riep hij zijn oudste zoon Esaü bij zich en zei :
“Mijn zoon.”
Hij antwoordde :
“Wat wilt u ?”
Isaäk zei :
“Hoor eens, ik ben een oud man
en ik weet niet hoelang ik nog te leven heb.
“Neem daarom uw wapens, uw pijlkoker en uw boog,
ga erop uit en schiet een stuk wild voor mij.
“Maak dan een smakelijk maal gereed, zoals ik het graag heb,
en dien het mij op, zodat ik ervan kan eten ;
daardoor zal ik de kracht krijgen
om u mijn zegen te geven, voordat ik sterf.”
Tijdens dat gesprek van Isaäk met zijn zoon Esaü
had Rebekka staan luisteren.
Zodra Esaü erop uit was gegaan
om een stuk wild voor zijn vader te schieten,
haalde zij de beste kleren van haar oudste zoon Esaü,
die zij in huis bewaarde,
en liet haar jongste zoon Jakob die aantrekken.
Over zijn handen en zijn gladde hals
trok zij de vellen van de geitebokjes.
Vervolgens gaf zij het smakelijke maal
met het brood dat zij toebereid had
haar zoon Jakob in handen.
Die ging naar zijn vader toe en zei : “Vader.”
Isaäk antwoordde :
“Ja, wie zijt ge, mijn zoon ?”
Jakob zei tot zijn vader :
“Esaü, uw eerstgeborene;
ik heb gedaan wat u mij opgedragen hebt.
“Ga overeind zitten en eet van mijn wildgebraad,
dan zult u de kracht krijgen om mij uw zegen te geven.”
Maar Isaäk zei tot zijn zoon :
“Hoe hebt ge dat wild zo gauw kunnen vinden, mijn zoon ?”
Jakob gaf ten antwoord :
“De Heer, uw God, heeft het op mijn weg gebracht.”
Daarop zei Isaäk tot Jakob :
“Kom eens wat dichterbij, ik wil u betasten, mijn zoon,
om te zien of ge werkelijk mijn zoon Esaü zijt!”
Jakob kwam bij zijn vader Isaäk staan.
Deze betaste hem en zei :
“De stem is de stem van Jakob,
maar de handen zijn de handen van Esaü.”
Hij herkende Jakob niet,
omdat diens handen even behaard waren
als die van zijn broer Esaü.
Toe was hij bereid hem zijn zegen te geven,
en vroeg nog eens :
“Zijt gij werkelijk mijn zoon Esaü?”
Hij antwoordde :
“Dat ben ik.”
Toen sprak Isaäk :
“Dien dan maar op.
“Ik wil eten van het wildbraad van mijn zoon ;
dan zal ik de kracht krijgen om u mijn zegen te geven.”
Jakob diende op en zijn vader begon te eten ;
daarna bracht hij hem wijn en hij dronk.
Daarop sprak zijn vader Isaäk tot hem :
“Kom hier, mijn zoon, en kus mij.”
Hij kwam naderbij en kuste hem.
Toe Isaäk de geur van zijn kleren rook,
sprak hij over hem deze zegen uit :
“Ja, de geur van mijn zoon
is als de geur van een akker
die door de Heer is gezegend.
“Dauw van de hemel zal God u geven,
vruchtbare grond,
met overvloed van koren en most.
“Volken zullen u dienen,
naties voor u buigen ;
ge moet heersen over uw broers,
en de zonen van uw moeder moeten voor u buigen !
“Wie u vervloekt, hij zij vervloekt ;
wie u zegent, hij zij gezegend !”

TUSSENZANG                    Ps. 135(134), 1-2, 3-4, 5-6

Looft de Heer, Hij is genadig
of : Alleluia.

Looft de Naam des Heren,
looft Hem, dienaars van de Heer,
gij die staat in ’s Heren tempel,
in de voorhof van Gods huis.

Looft de Heer, Hij is genadig,
eert zijn hoogverheven Naam.
Jakob heeft Hij uitverkoren,
Israël tot zijn bezit.

Uit ervaring weet ik: machtig is de Heer,
onze Heerser, meer dan alle goden.
In de hemel en op aarde doet Hij wat Hij wil,
op de zee en in de diepste oceanen.

ALLELUIA                      Ps. 119(118), 105

Alleluia.
Uw woord is een lamp voor mijn voeten, Heer,
het is een licht op mijn pad.
Àlleluia.

EVANGELIE                                                        Mt. 9, 14-17

De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn
zolang de bruidegom bij hen is ?

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Matteüs

Op zekere dag
kwamen de leerlingen van Johannes tot Jezus met de vraag :
“Waarom vasten wij en de Farizeeën wel,
maar uw leerlingen niet ?”
Jezus sprak tot hen :
“De vrienden van de bruidegom
kunnen toch niet bedroefd zijn
zolang de bruidegom bij hen is?
“Er zullen dagen komen
dat de bruidegom van hen is weggenomen ;
dan zullen zij vasten.
“Niemand gebruikt voor een oud kleed
een verstellap van ongekrompen stof ;
want het ingezette stuk trekt aan het kleed
en de scheur wordt nog groter.
“Ook doet men geen jonge wijn in oude zakken,
anders bersten de zakken,
de wijn loopt er uit en de zakken gaan verloren.
“Maar jonge wijn doet men in nieuwe zakken ;
dan blijven beide behouden.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, ©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.