Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 8 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Openingswoord
Wanneer de profeet Jesaja geconfronteerd wordt
met Gods grootsheid en heiligheid,
is zijn eerste reactie:
‘Ik ben verloren, want ik ben een mens met onreine lippen’.
Maar dat is voor God geen obstakel:
Hij komt de profeet vergevend tegemoet,
en maakt hem rein.
Op dezelfde wijze komt God ook naar ons toe:
Hij wil ons laten delen in zijn barmhartigheid
en ons rein maken.
Laten wij daarom eerst naar de diepte in onszelf peilen:
daar wil God ons tegemoet komen,
om met zijn liefde te voltooien wat nog onaf is.

EERSTE LEZING                                         Jes. 6, 1-2a.3-8

Hier ben ik, zend mij.

Uit de profeet Jesaja

In het sterfjaar van koning Uzziahu zag ik de Heer,
gezeten op een hoge en verheven troon:
zijn sleep bedekte heel de vloer van de tempel.
Hij was omgeven met serafs – elk had zes vleugels –
en ze riepen elkaar toe:
“Heilig, heilig, heilig, de Heer der hemelse machten!
“Heel de aarde is vol van zijn glorie!”
Het luide roepen deed de drempels schudden in hun voegen
en het heiligdom stond vol rook.

Toen riep ik: “Wee mij, ik ben verloren!
“Want ik ben een mens met onreine lippen
en ik woon temidden van een volk met onreine lippen,
en toch hebben mijn ogen de Koning,
de Heer der hemelse machten, gezien!”

Maar een van de serafs vloog naar mij toe met een gloeiende
kool
die hij met een tang van het altaar genomen had;
hij raakte mijn mond daarmee aan en sprak:
“Nu dit uw lippen aangeraakt heeft, zijn uw zonden verdwenen,
uw misstappen vergeven.”
Daarop hoorde ik de Heer spreken:
“Wie moet Ik zenden?
“Wie zal voor ons gaan?”
En ik antwoordde:
“Hier ben ik, zend mij!”

Antwoordpsalm                                       Ps. 138(137), 1-2a, 2bc-3, 4-5, 7c-8

Keervers
Te midden van de engelen zing ik voor U, o Heer.

U wil ik prijzen, Heer, uit heel mijn hart,
omdat Gij naar mijn bidden hebt geluisterd.
Te midden van de engelen zing ik voor U
en werp mij neer, gebogen naar uw tempel.

U prijs ik om uw goedheid en uw trouw,
want verder dan uw faam gaat, hebt Gij woord gehouden.
Verhoor mij elke dag dat ik U aanroep,
dan geeft Ge mij weer nieuwe kracht.

U zullen alle koningen der aarde prijzen
wanneer zij horen wat Gij hebt gezegd.
De daden van de Heer zullen zij loven,
want zonder weerga is de luister van de Heer.

Steeds is uw uitgestrekte hand mijn redding.
De Heer volbrengt voor mij al wat ik onderneem.
Uw goedheid, Heer, blijft duren zonder einde:
vergeet het maaksel van uw handen niet.

TWEEDE LEZING                                       I Kor. 15, 1-11
Zo verkondigen wij en dàt hebt gij geloofd.

Uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen
van Korinte

Broeders en zusters,

Ik vestig uw aandacht op het evangelie dat ik u heb verkondigd,
dat gij hebt ontvangen,
waarop gij gegrondvest zijt
en waardoor gij ook gered wordt :
in welke bewoordingen heb ik het u verkondigd ?
Ik neem aan dat gij die onthouden hebt ;
anders zoudt gij het geloof zonder nadenken hebben aanvaard.

Op de eerste plaats dan heb ik u overgeleverd
wat ik ook zelf als overlevering heb ontvangen,
namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden,
volgens de Schriften
en dat Hij begraven is,
en dat Hij is opgestaan op de derde dag,
volgens de Schriften,
en dat Hij verschenen is aan Kefas en daarna aan de Twaalf.

Vervolgens is Hij verschenen
aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk,
van wie de meesten nog in leven zijn,
hoewel sommigen zijn gestorven.
vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus,
daarna aan de apostelen.
En het laatst van allen is Hij ook verschenen aan mij,
de misgeboorte.
Ja, ik ben de minste van de apostelen,
niet waard apostel te heten, want ik heb Gods kerk vervolgd.
Maar door de genade van God ben ik wat ik ben
en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest.
Ik heb harder gewerkt dan alle anderen,
niet ik, maar de genade van God met mij.
Maar of zij het nu zijn of ik,
dàt verkondigen wij en dàt hebt gij geloofd.

Vers voor het evangelie                                        Mt. 4, 19

Alleluia.
Komt, volgt Mij, zegt de Heer,
Ik zal van u vissers van mensen maken.
Alleluia

EVANGELIE                                                   Lc. 5, 1-11

Zij lieten alles achter om Hem te volgen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Lucas 

Op zekere dag
stond Jezus aan de oever van het meer van Gennésaret,
terwijl de mensen op Hem aandrongen
om het woord Gods te horen.
Hij zag nu twee boten liggen aan de oever van het meer ;
de vissers waren eruit gegaan en spoelden hun netten.
Hij stapte in een van de boten, die van Simon
en vroeg hem een eindje van wal te steken.
Hij ging zitten
en vanuit de boot vervolgde Hij zijn onderricht aan het volk.
Toen Hij zijn toespraak had geëindigd zei Hij tot Simon :
“Vaar nu naar het diepe
en gooi uw netten uit voor de vangst.”
Simon antwoordde :
“Meester,
de hele nacht hebben we gezwoegd zonder iets te vangen ;
maar op uw woord zal ik de netten uitgooien.”
Ze deden het en vingen zulk een massa vissen in hun netten
dat deze dreigden te scheuren.
Daarom wenkten ze hun maats in de andere boot
om hen te komen helpen.
Toen die gekomen waren
vulden zij beide boten tot zinkens toe.
Bij het zien daarvan viel Simon Petrus Jezus te voet en zei :
“Heer, ga van mij weg
want ik ben een zondig mens.”
Ontzetting had zich meester gemaakt van hem
en van allen die bij hem waren,
vanwege de vangst die ze gedaan hadden.
Zo verging het ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs,
die met Simon samenwerkten.
Jezus echter sprak tot Simon :
“Wees niet bevreesd,
voortaan zult ge mensen vangen.”
Ze brachten de boten aan land
en lieten alles achter om Hem te volgen.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, ©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de zondagen.