Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 8 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

OVERWEGING

Na de zondvloed stelt God opnieuw het kwade in het mensenhart vast. Maar ditmaal vindt hij een reden om zich lankmoedig te tonen: wanneer de ark van Noach terug op de droge aarde landt, bouwt Noach eerst en vooral een altaar om God te danken en te eren. Dit gebaar brengt God tot ‘bekering’: ‘Hij zal de aardbodem nooit meer vervloeken’, ook al blijft het kwaad geworteld in het hart van de mens. Christus zal daarin nog verder gaan: Hij zal het kwade, de zondigheid van de mensheid op zich nemen en ervoor sterven. Hoe ga ik om met het kwaad in mijn hart? Wat helpt mij om dat te overwinnen?

EERSTE LEZING                                           Gen. 8, 6-13.20-22

Noach keek naar buiten; en zie, de aardbodem was droog

Uit het Boek Genesis

Na verloop van veertig dagen opende Noach het venster
dat hij in de ark had aangebracht.
Hij liet een raaf los, die heen en weer bleef vliegen
tot het water op de aarde was opgedroogd.
Toen liet hij een duif los,
om te zien of het water al van de aardbodem was weggezakt.
Maar de duif vond geen plek
waar haar pootjes konden rusten,
en keerde bij hem terug in de ark ;
want het water bedekte nog heel de aardbodem.
Noach stak zijn hand uit,
pakte de duif en haalde ze weer bij zich in de ark.
Nu wachtte hij nog eens zeven dagen,
en liet toen opnieuw een duif uit de ark los.
Toen de duif tegen de avond bij hem terugkwam,
droeg zij een groen olijfblad in de bek.
Toen begreep Noach dat het water
van de aarde weggezakt moest zijn.
Hij wachtte nog eens zeven dagen,
en liet toen opnieuw een duif los ;
maar deze duif keerde niet meer bij hem terug.
In het zeshonderdste jaar,
op de eerste dag van de eerste maand,
begon het water boven de aarde op te drogen.
Nu schoof Noach het dak van de ark opzij
en keek naar buiten ;
en zie, de aardbodem was droog.
Toen bouwde Noach een altaar ter ere van de Heer;
hij deed een keuze uit de reine dieren
en uit de reine vogels,
en droeg op het altaar brandoffers op.
God de Heer rook de aangename geur
en zei bij zichzelf :
“Nooit meer zal Ik de aardbodem vervloeken
vanwege de mensen :
het hart van de mens is immers geneigd tot het kwade
van jongs af aan.
“Ook de andere levende wezens zal Ik nooit meer treffen,
zoals Ik nu gedaan heb.
“Zolang de aarde bestaat,
blijft er zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte,
zomer en winter, dag en nacht.
“Nooit houdt dat op.”

TUSSENZANG                           Ps. 116(115), 12-13, 14-15, 18-19

Met offers zal ik U loven, Heer.
of: Alleluia.

Hoe kan ik mijn dank betuigen
voor al wat de Heer mij gaf ?
Ik hef de offerbeker,
de Naam van de Heer roep ik aan.

Ik zal mijn geloften volbrengen
waar heel zijn volk het ziet.
Want kostbaar is in zijn ogen
het leven van wie Hem vereert.

Iki za mijn geloften volbrengen
waar heel zijn volk het ziet,
op ’t voorplein van uw tempel,
in uw Jeruzalem.

ALLELUIA                                         1 Tess. 2, 13

Alleluia.
Ontvangt het goddelijk woord der prediking,
niet als een woord van mensen
maar als wat het inderdaad is :
het woord van God.
Alleluia

EVANGELIE                                                            Mc. 8, 22-26
De blinde was zo volkomen genezen dat hij alles duidelijk zag.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd kwamen Jezus en zijn leerlingen in Betsaïda.
Daar bracht men een blinde bij Hem
en smeekte Hem die te willen aanraken.
Jezus nam de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp.
Daar deed Hij speeksel op zijn ogen,
legde hem de handen op en vroeg hem :
“Kunt ge al iets zien?”
Hij keek en hij antwoordde :
“Ik zie mensen, want ik zie ze lopen,
maar ze lijken op bomen;”
Daarna legde Jezus nog eens de handen op zijn ogen.
Nu zag hij scherp en was zo volkomen genezen
dat hij alles duidelijk zag.
Hij stuurde hem naar huis met de waarschuwing :
“Ga zelfs het dorp niet in.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.