Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 8 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Overweging
Tijdens de eerste dagen van de veertigdagentijd hadden de lezingen veel aandacht voor wat vasten eigenlijk is: hoe men wel en niet moet vasten, welk vasten de Heer behaagt. in de tweede week komt het lijdensmotief sterk opzetten, van oudsher vooral op woensdag en vrijdag. In het evangelie spreekt Jezus onverbloemd over zijn lijden in Jeruzalem. Tegenover de opdringerigheid van de moeder van de zonen van Zebedeüs, herhaalt hij het motief. Het lijdensmotief wordt gekoppeld aan de houding van de dienaar van allen: zijn dood wordt een zoenoffer.

EERSTE LEZING                                             Jer. 18, 18-20

We beramen aanslag op hem.

Uit de Profeet Jeremia

Die het gemunt hadden op het leven van de profeet zeiden :
“We beramen een aanslag op Jeremia.
“Nooit ontbreekt het de priesters aan onderricht,
de wijzen aan raad of de profeten aan woorden.
“Wij letten niet meer op wat hij zegt.”

Geef mij gehoor, Heer God, luister naar mijn klacht :
Mag men goed met kwaad vergelden ?
Toch graven zij een kuil voor mij.
Vergeet niet, dat ik voor u stond
om voor hen ten beste te spreken
en uw toorn van hen af te wenden.

TUSSENZANG                                                      Jer. 18, 18-20

We beramen een aanslag op hem.

Uit de Profeet Jeremia

Die het gemunt hadden op het leven van de profeet zeiden :
“We beramen een aanslag op Jeremia.
“Nooit ontbreekt het de priesters aan onderricht,
de wijzen aan raad of de profeten aan woorden.
“Wij letten niet meer op wat hij zegt.”

Geef mij gehoor, heer God, luister naar mijn klacht :
Mag men goed met kwaad vergelden ?
Toch graven zij een kuil voor mij.
Vergeet niet, dat ik voor U stond
om voor hen ten beste te spreken
en uw toorn van hen af te wenden.

TUSSENZANG                                        Ps. 31(30), 5-6, 14, 15-16

Red mij, Heer, door uw genade.

Het net dat de mensen mij heimelijk spannen
ontkom ik door U die mij altijd beschermt.
Vertrouwvol leg ik mijn geest in uw handen,
Gij zult mij beschermen, getrouwe God.

Ik hoor ze fluisteren om mij heen,
aan alle kanten bedreiging.
Zij smeden te zamen een plan tegen mij
om mij het leven te nemen.

Toch blijf ik op U vertrouwen, Heer,
steeds zeg ik : Gij zijt mijn God.
Gij hebt mijn lot in uw hand,
bevrijd mij van mijn vervolgers.

VERS VOOR HET EVANGELIE                                 Joh. 11, 25a en 26

Ik ben de verrijzenis en het leven, zegt de Heer ;
wie in Mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven.

EVANGELIE                                                              Mt. 20, 17-28

De hogepriesters en de schriftgeleerden zullen Jezus ter dood veroordelen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Matteüs

Toen Jezus van plan was naar Jeruzalem te gaan
nam Hij de twaalf apart en onderweg sprak Hij tot hen :
“Wij gaan nu naar Jeruzalem,
waar de Mensenzoon aan de hogepriesters en
schriftgeleerden zal worden overgeleverd.
“Zij zullen Hem ter dood veroordelen
en aan de heidenen overleveren
om Hem te bespotten, te geselen en te kruisigen ;
maar op de derde dag zal Hij verrijzen.”
Toentertijd trad de moeder van de zonen van Zebedeüs
samen met hen op Jezus toe
en wierp zich voor zijn voeten om Hem iets te vragen.
Hij sprak tot haar :
“Wat verlangt ge ?”
Zij antwoordde Hem :
“Laat deze twee jongens van mij in uw Koninkrijk zitten,
één aan uw rechter- en één aan uw linkerhand.”
Maar Jezus antwoordde :
“Gij weet niet wat ge vraagt.
“Zijt gij in staat de beker te drinken die Ik ga drinken ?”
Zij zeiden hem :
“Ja, dat kunnen wij.”
Hij sprak :
“Inderdaad, mijn beker zult gij drinken,
maar het is niet aan Mij
u te doen zitten aan mijn rechter- of linkerhand,
omdat alleen zij dit verkrijgen
voor wie mijn Vader dit heeft bereid.”
Toen de tien anderen dit hoorden
werden zij kwaad op de beide broers.
Jezus echter  riep hen bij zich en sprak :
“Gij weet dat de heersers der volkeren
hen met ijzeren vuist regeren
en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen.
“Dit mag bij u niet het geval zijn ;
wie onder u groot wil worden
moet dienaar van u zijn,
en wie onder u de eerste wil zijn
moet slaaf van u wezen,
zoals ook de Mensenzoon
niet gekomen is om gediend te worden,
maar om te dienen
en zijn leven te geven als losprijs voor velen.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.