Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 8 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Openingswoord
De God van het Verbond
wil altijd nieuw leven schenken,
nieuw perspectief en nieuwe toekomst.
Daarom brengt Hij zijn volk na de woestijntocht
thuis in een vruchtbaar land.
In de parabel van Jezus
ontvangt de Vader zijn zoon, die ‘dood en verloren’ was,
met tranen van vreugde.
Zo wil Jezus ons laten ontdekken
dat God ons steeds barmhartig opwacht,
ook al hebben wij de liefde gekwetst.
Als wij de moed opbrengen naar Hem terug te keren,
staat Hij klaar.
Laten wij ons opstellen voor de verzoening die God ons aanbiedt.

EERSTE LEZING                                     Joz. 5, 9a.10-12

Toen het volk van God in het beloofde land binnengegaan was, vierde het daar het paasfeest.

Uit het boek Jozua

In die dagen sprak de Heer tot Jozua:
“Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld!”

Terwijl de Israëlieten in Gilgal gelegerd waren,
vierden zij het paasfeest op de veertiende dag van de maand,
in de avond in de vlakte van Jericho.
En daags na Pasen, juist op die dag,
aten zij ongezuurd brood en geroosterd graan
dat van het land zelf afkomstig was.
De volgende dag hield het manna op;
ze konden nu eten wat het land voortbracht.
Voortaan krtegen de Israëlieten geen manna meer;
zij aten gedurende heel het jaar wat Kanaän voortbracht.

Antwoordpsalm                                          Ps. 34(33) 2-3, 4-5, 6-7

Keervers
Proeft en merkt op hoe mild de Heer is.

De Heer zal ik prijzen iedere dag,
zijn lof ligt mij steeds op de lippen.
Mijn geest is fier op de gunst van de Heer,
laat elk die het hoort zich verheugen.

Verheerlijkt de Heer tezamen met mij
en laat ons eendrachtig zijn Naam vereren.
Ik ging tot de Heer en Hij heeft mij verhoord,
Hij heeft mij gered uit al wat ik vreesde.

Ziet naar Hem op, dan straalt uw gelaat
en zult ge niet blozen van schaamte.
Die roepen in nood, naar hen luistert de Heer
en redt hen uit hun ellende.

TWEEDE LEZING                            2 Kor. 5, 17-21

God heeft ons door Christus met zich verzoend.

Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen
van Korinte

Wie in Christus is, is een nieuwe schepping:
het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen.
En dit alles komt van God.
Hij heeft ons door Christus met zich verzoend
en ons de dienst van die verzoening toevertrouwd.
Ja, God was het
die in Christus de wereld met zich verzoende:
Hij telde de fouten van de mensen niet
en ons gaf Hij  de boodschap van de verzoening mee.

Wij zijn dus gezanten van Christus,
God roept u op door ons woord.
Wij smeken u in Christus’ naam:
laat u met God verzoenen!
Hem die geen zonde heeft gekend,
heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt,
opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden.

Vers voor het evangelie

Lof en eer zij U, Heer Jezus.
Ik ga weer naar mijn vader en ik zal hem zeggen:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u.
Lof en eer zij U, Heer Jezus.

EVANGELIE                                                                      Lc. 15, 1-3.11-32

Uw broer was dood en is levend geworden.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Lucas

In die tijd kwamen telkens weer
tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus
om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en de schriftgeleerden morden daarover en zeiden :
“Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”
Hij hield hun deze gelijkenis voor :
“Een man had twee zonen.
“Nu zei de jongste van hen tot zijn vader.
Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.
“En hij verdeelde zijn vermogen onder hen.
“Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar
en vertrok naar een ver land.
“Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.
“Toen hij alles opgmaakt had
kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
“Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van dat land
die hem het veld instuurde om varkens te hoeden.
“En al had hij graag zijn buik willen vullen
met de schillen die de varkens aten,
niemand gaf ze hem.
“Toen kwam hij tot nadenken en zei :
Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed,
en ik verga hier van de honger.
“Ik ga weer naar mijn vader
en ik zal hem zeggen :
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben niet meer waard uw zoon te heten
maar neem mij aan als een van uw dagloners.
“Hij ging dus op weg naar zijn vader.
“Zijn vader zag hem al in de verte aankomen
en hij werd door medelijden bewogen ;
hij snelde op hem toe
viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.
“Maar de zoon zei tot hem :
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben niet meer waard uw zoon te heten.
“Doch de vader gelastte zijn knechten :
Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan,
steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan.
Haalt het gemeste kalf en slacht het ; laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden,
hij was verloren en is teruggevonden.
“Ze begonnen dus feest te vieren.

“Intussen was zijn oudste zoon op het land.
“Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde
hoorde hij muziek en dans.
“Hij riep een van de knechten
en vroeg wat dat te betekenen had.
“Deze antwoordde :
Uw broer nis thuisgekomen
en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.
“Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen.
“Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong
gaf hij zijn vader ten antwoord :
Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden,
toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
“En nu die zoon van u is gekomen
die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen,
hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten.
“Toen antwoordde de vader :
Jongen, jij bent altijd bij me
en alles wat van mij is is ook van jou.
“Maar er moet feest en vrolijkheid zijn,
omdat die broer van je dood was en levend is geworden,
verloren was en is teruggevonden.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, ©Nederlands BijbelgenootschDe bijbeltekstap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.