Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 7 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Overweging
Het is niet ondenkbaar dat een aantal van de toehoorders dat nu naar Petrus luistert, geen graten zag in de veroordeling van Jezus door Pontius Pilatus. Petrus roept op tot een gewetensonderzoek. Het is de Heer zelf die men gekruisigd heeft! Deze formulering is bijzonder. Voorheen was Jezus voor de leerlingen een bijzondere man, een profeet. De verrijzenis heeft voor een keerpunt gezorgd: Jezus was inderdaad de Heer! Dan dringt het door bij de toehoorders, en vragen zij zich af hoe het zo ver kon komen. Zo gaat het ook in ons leven: we doen soms het kwade en realiseren ons pas achteraf wat dat voor anderen heeft betekend. Het Pasen van de Heer biedt ons de kans om ons bewust te worden van deze zonden, maar ook: om te beseffen hoe onvoorstelbaar groot Jezus’ liefde is dat Hij voor ons zo’n hoge prijs heeft betaald.

EERSTE LEZING                                            Hand. 2, 36-41

Bekeert u en ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus.

Uit de Handelingen van de Apostelen

Op Pinksteren sprak Petrus tot de Joden :
“Voor heel het huis van Israël moet dus onomstotelijk vaststaan
dat God Jezus èn Heer èn Christus heeft gemaakt,
Hem die gij gekruisigd hebt.”
Toen zij dit hoorden waren zij diep getroffen
en zeiden tot Petrus en de overige apostelen :
“Wat moeten we doen, mannen broeders ?”
Petrus gaf hun ten antwoord :
“Bekeert u
en ieder van u late zich dopen
in de naam van Jezus Christus
tot vergeving van uw zonden :
dan zult gij als gave de heilige Geest ontvangen.
“Want die belofte geldt u,
uw kinderen
en allen die verre zijn,
zovelen de Heer onze God roepen zal.”
Met nog vele andere woorden legde hij getuigenis af
en hij vermaande hen :
“Redt u uit dit ontaarde geslacht.”
Die zijn woord aannamen lieten zich dopen
zodat op die dag ongeveer drieduizend mensen zich aansloten.

TUSSENZANG                                Ps. 33(32), 4-5, 18-19, 20, 22

De aarde is vol van de mildheid des Heren.
of: Alleluia.

Oprecht is het woord van de Heer
en al wat Hij doet is betrouwbaar.
Recht en gerechtigheid heeft Hij lief,
de aarde is vol van zijn mildheid.

God is het die zijn dienaars bewaakt,
hen die op zijn gunst vertrouwen.
Dat Hij hen redden zal van de dood,
bij hongersnood hen zal voeden.

Daarom vertrouwt ons hart op de Heer,
is Hij ons een schild en een helper.
Geef ons dus, Heer, uw barmhartigheid,
zoals wij op U vertrouwen.

ALLELUIA                                               Ps. 118(117), 24

Alleluia.
Dit is de dag, die de Heer heeft gemaakt,
wij zullen hem vieren in blijdschap.
Alleluia.

SEQUENTIE                                            (vert. J.W. Schulte Nordholt)

Laat ons ’t Lam van Pasen loven,
’t Lam Gods met offers eren.
Ja het Lam redt de schapen,
Christus brengt door zijn onschuld
ons arme zondaren tot de Vadert.
Dood en leven, o wonder,
moeten strijden tesamen.
Die stierf, Hij leeft, Hij is onze Koning.
Zeg het ons, Maria,
wat is ’t dat gij gezien hebt ?
Het graf van Christus dat leeg was,
de glorie van Hem die opgestaan is,
eng’len als getuigen,
de zweetdoek en het doodskleed.
Mijn hoop, mij Christus in leven !
Zie Hij gaat u voor naar Galilea.
Waarlijk Christus is verrezen : stond op uit de doden.
O Koning, onze Held, geef ons vrede. Alleluia.

EVANGELIE                                                    Joh. 20, 11-18

Ik heb de Heer gezien en dit heeft Hij mij gezegd.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

In die tijd stond Maria buiten bij het graf te schreien.
En al schreiend boog zij zich naar het graf toe
en zag op de plaats waar Jezus’ lichaam gelegen had,
twee in het wit geklede engelen zitten,
een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde.
Zij spraken haar aan :
“Vrouw waarom schreit ge ?”
Zij antwoordde :
“Zij hebben mijn Heer weggenomen
en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.”
Toe zij dit gezegd had keerde zij zich om
en zag Jezus staan, maar zonder te weten dat het Jezus was.
Jezus zei tot haar :
“Vrouw, waarom schreit ge ?
“Wie zoekt ge ?”
In de mening dat het de tuinman was vroeg zij :
“Heer, mocht gij Hem hebben weggebracht
zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd
zodat ik Hem kan weghalen.”
Daarop zei Jezus haar :
“Maria !”
Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws :
“Rabboeni !”
wat leraar betekent.
Toen sprak Jezus :
“Houd Mij niet vast
want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader,
maar ga naar mijn broeders en zeg hun :
Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader,
naar mijn god en uw God.”
Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten
dat zij de Heer gezien had,
en wat Hij haar gezegd had.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.