Derde Paaszondag

Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 8 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Openingswoord
Ook op deze derde paaszondag
horen we hoe de Levende Heer verschijnt aan zijn leerlingen.
Ook deze keer vraagt het veel tijd om Hem te herkennen.
De leerlingen zijn teruggekeerd naar hun gewone leven
en precies daar toont Jezus zich nabij.
Vandaag wacht Hij ook ons op.
Hij wil ons ontmoeten in ons leven van elke dag.
Laten wij in deze viering bidden
dat wij op zijn roepstem durven ingaan.
Laten wij gemeenschap vormen rond de tafel die Hij aanricht.

Eerste lezing                          Hand. 5, 27b-32.40b-41

Van dit alles zijn wij getuigen maar ook de heilige Geest.

Uit de Handelingen der Apostelen 

In die dagen ondervroeg de hogepriester de apostelen:  “Hebben wij u niet uitdrukkelijk verboden  in de naam van Jezus onderricht te geven?  Door uw toedoen is heel Jeruzalem vol van uw leer.  Bovendien wilt gij ons het bloed van die man aanrekenen.”  Maar Petrus en de andere apostelen gaven ten antwoord:  “Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen.  De God van onze vaderen heeft Jezus ten leven gewekt,  aan wie gij u vergrepen hebt  door Hem aan het kruis te slaan.  Hem heeft God als Leidsman en Verlosser verheven  aan zijn rechterhand  om aan Israël bekering en kwijtschelding van zonden te schenken.  Van dit alles zijn wij getuigen,  maar ook de heilige Geest  die God geschonken heeft aan wie Hem gehoorzamen.”  Maar men verbood de apostelen te spreken in de naam van Jezus  en stelden hen in vrijheid.  Zij verlieten de Hoge Raad,  verheugd dat ze waardig bevonden waren  smaad te lijden omwille van Jezus’ naam.

Antwoordpsalm  Ps. 30(29) 2 en 4, 5 en 6, 11 en12a en 13b

Keervers
U zal ik loven, Heer, want Gij hebt mij bevrijd.

U zal ik loven, Heer, want Gij hebt mij bevrijd,
Gij hebt mijn vijanden niet laten zegevieren.
Heer, uit het dodenrijk hebt Gij mijn ziel verlost,
Gij hebt mij losgemaakt van die ten grave dalen.

Bezingt de Heer dan met mij, al zijn vromen,
en dankt zijn Naam die hoogverheven is.
Zijn toorn duurt kort, maar zijn genade levenslang,
de avond brengt geween, de ochtend blijdschap.

Heer, luister en ontferm u over mij,
mijn God, sta mij terzijde met uw hulp.
Gij hebt mijn rouwklacht in een vreugdedans veranderd,
U zal ik loven, Heer mijn God, in eeuwigheid.

Tweede Lezing                          Apok. 5, 11-14

Waardig is het Lam dat geslacht werd, te ontvangen de macht en de rijkdom.

Uit de Openbaring van de heilige apostel Johannes 

Ik, Johannes, zag toe  en hoorde de stem van talloze engelen rondom de troon  en de stem van levende wezens en van de oudsten;  en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen  en duizenden duizendtallen;  en zij riepen luid:  “Waardig is het Lam dat geslacht werd  te ontvangen de macht en de rijkdom,  de wijsheid en de kracht,  en eer en heerlijkheid en lof.”  En elk schepsel in de hemel en op de aarde  en onder de aarde en in de zee,  het ganse heelal hoorde ik roepen:  “Aan Hem die gezeten is op de troon  en aan het Lam  zij de lof en de eer en de roem en de kracht  in de eeuwen der eeuwen!”  En de vier levende wezens zeiden:  “Amen.”  En de oudsten vielen in aanbidding neer.

Vers voor het evangelie                                Lc. 24,26

Alleluia.
Moest de Messias dat alles niet lijden
om in zijn glorie binnen te gaan?
Alleluia

Evangelie                          Joh. 21, 1- 19 of 21, 1-14

Jezus trad dichterbij, nam het brood en gaf het hun en zo ook de vis.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
 

In die tijd verscheen Jezus andermaal aan de leerlingen  bij het meer van Tiberias.  De verschijning verliep als volgt:  er waren bijeen:  Simon Petrus, Tomas die ook Dídymus genoemd wordt,  Natánaël uit Kana in Galilea,  de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn leerlingen.  Simon Petrus zei tot hen:  “Ik ga vissen!”  Zij antwoordden:  “Dan gaan wij mee.”  Zij gingen dus op weg en klommen in de boot  maar ze vingen die nacht niets.  Toen het reeds morgen begon te worden  stond Jezus aan het strand,  maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was.  Jezus sprak hen aan:  “Vrienden, hebben jullie soms wat vis?”  “Neen”,  zeiden ze.  Toen beval Hij hun:  “Werpt het net uit, rechts van de boot,  daar zult ge iets vangen.”  Nadat ze dit gedaan hadden,  waren ze niet meer bij machte het net op te halen  vanwege de grote hoeveelheid vissen.  Daarop zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus:  “Het is de Heer!”  Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was  trok hij zijn bovenkleed aan  – want hij droeg slechts een onderkleed –  en sprong in het meer.  De andere leerlingen kwamen met de boot,  want zij waren niet ver van de kust,  slechts ongeveer tweehonderd el,  en sleepten het net met de vissen achter zich aan.  Toen zij aan land waren gestapt  zagen zij dat er een houtskoolvuur was aangelegd  met vis erop en brood.  Jezus sprak tot hen:  “Haalt wat van de vis die gij juist gevangen hebt.”  Simon Petrus ging weer aan boord  en sleepte het net aan land.  Het was vol grote vissen, honderddrieënvijftig stuks,  en ofschoon het er zoveel waren, scheurde het net niet.  Jezus zei hun:  “Komt ontbijten.”  Wetend dat het de Heer was  durfde geen van de leerlingen Hem vragen:  “Wie zijt Gij?”  Jezus trad dichterbij,  nam het brood en gaf het hun,  en zo ook de vis.  Dit nu was de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen  sinds Hij uit de doden was opgestaan.

(Na het ontbijt zei Jezus tot Simon Petrus:  “Simon, zoon van Johannes,  hebt gij Mij meer lief dan dezen Mij liefhebben?”  Hij antwoordde:  “Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.”  Jezus zei hem:  “Weid mijn lammeren.”  Nog een tweede maal zei Hij tot hem:  “Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?”  En deze antwoordde:  “Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.”  Jezus hernam:  “Hoed mijn schapen.”  Voor de derde maal vroeg Hij:  “Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?”  Nu werd Petrus bedroefd,  omdat Hij hem voor de derde maal vroeg:  Hebt ge Mij lief? en hij zeide Hem:  “Heer, Gij weet alles; Gij weet dat ik U bemin.”  Daarop zei Jezus hem:  “Weid mijn schapen.  Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:  Toen ge jong waart  deedt ge zelf uw gordel om en gingt waarheen ge wilde,  maar wanneer ge oud zijt zult ge uw handen uitstrekken,  een ander zal u omgorden  en u brengen waarheen ge niet wilt.”  Hiermee zinspeelde Hij op de dood  waardoor Hij God zou verheerlijken.  En na deze woorden zei Hij hem:  “Volg Mij.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s