Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 8 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Overweging

Jezus stelt in het evangelie eigenlijk maar één vraag: ‘Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij meer lief dan deze die Mij liefhebben?’ Het is een heel persoonlijke, indringende vraag. Hij herhaalt ze, tot drie maal toe. Pas wanneer Hij zeker is van de liefde vertrouwt Hij iemand een verantwoordelijkheid toe. Het is slechts de liefde die ons bekwaam maakt voor een opdracht in de geloofsgemeenschap. Wat wij doen zal – ondanks ons persoonlijk falen en onze ontrouw – een concretisering zijn van de liefde die wij de Heer hebben toegezegd. De eisen liggen dus hoog. Onze liefde voor de Heer zal ons brengen waar wij het niet willen. Maar, wij zullen sterk zijn omdat wij ons gedragen weten door de bliefde van de Heer voor ons.

EERSTE LEZING                         Hand. 25, 13-21

Jezus is dood, aldus Festus, maar Paulus beweert dat Hij leeft.

Uit de Handelingen van de Apostelen

In die dagen kwamen koning Agrippa en Berníke in Caesarea
en maakten hun opwachting bij Festus.
Tijdens hun verblijf aldaar, dat verscheidene dagen duurde
legde Festus het geval van Paulus aan de koning voor
met de woorden :
“Felix heeft hier een gevangene achtergelaten
tegen wie de hogepriesters en de oudsten van de Joden,
een aanklacht hebben ingediend
toen ik in Jeruzalem was,
met het verzoek hem te veroordelen.
“Ik heb hun te verstaan gegeven,
dat de Romeinen niet gewoon zijn
iemand bij wijze van gunst uit te leveren,
voordat de beklaagde tegenover zijn beschuldigers heeft gestaan
en gelegenheid gekregen heeft
zich tegen de aanklacht te verdedigen.
“Zij kwamen dus hier heen
en zonder uitstel heb ik de volgende dag rechtzitting gehouden
en heb ik de man laten voorleiden.
“Toen de aanklagers om hem heen stonden,
brachten zij geen enkele beschuldiging in van misdaden
waar ik op gerekend had.
“Wel hadden zij bepaalde kwesties tegen hem
op het gebied van hun eigen geloof
en over een zekere Jezus,
die dood is,
maar van wie Paulus beweerde dat Hij leeft.
“Omdat ik met het onderzoek van die dingen geen weg wist,
heb ik gevraagd of hij naar Jeruzalem wilde gaan
om daar in deze zaak terecht te staan.
“Maar Paulus is in hoger beroep gegaan
en wilde daarom tot de uitspraak van Zijne Majesteit
in bewaring gehouden worden.
“Daarom heb ik bevel gegeven hem in hechtenis te houden
totdat ik hem naar de keizer kan zenden.”

TUSSENZANG             Ps. 103 (102), 1-2, 11-12, 19-20ab

De Heer heeft zijn troon in de hemel gevestigd.
of : Alleluia.

Verheerlijk, mijn ziel, de Heer,
zijn heilige Naam uit het diepst van uw wezen !
Verheerlijk, mijn ziel, de Heer,
vergeet zijn weldaden niet !

Zo wijd als de hemel de aarde omspant,
zo alomvattend is zijn erbarmen.
Zo ver als de afstand van oost tot west,
zo ver verdrijft Hij van ons de zonde.

De Heer heeft zijn troon in de hemel gevestigd,
Hij voert heerschappij over heel het heelal.
Verheerlijkt de Heer, al zijn hemelse boden,
machtige uitvoerders van zijn bevel.

ALLELUIA                   Mt. 28, 19 en 20

Alleluia.
Gaat en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen;
Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.
Alleluia.

EVANGELIE                   Joh. 21, 15-19

Weid mijn lammeren, hoed mijn schapen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

Toen Jezus verschenen was aan zijn leerlingen,
zei Hij na het ontbijt tot Simon Petrus :
“Simon, zoon van Johannes,
hebt gij Mij meer lief dan dezen Mij liefhebben ?”
Hij antwoordde :
“Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.”
Jezus zei hem :
“Weid mijn lammeren.”
Nog een tweede maal zei Hij tot hem :
“Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?”
En deze antwoordde :
“Ja Heer, Gij weet dat ik U bemin.”
Jezus hernam :
“Hoed mijn schapen.”
Voor de derde maal vroeg Hij :
“Simon, zoon van Johannes, hebt ge Mij lief?”
Nu werd Petrus bedroefd,
omdat Hij hem voor de derde maal vroeg :
Hebt ge Mij lief? en hij zeide Hem :
“Heer, Gij weet alles ; Gij weet dat ik U bemin.”
Daarop zei Jezus hem :
“Weid mijn schapen.
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u :
Toen ge jong waart,
deedt ge zelf uw gordel om en gingt waarheen ge wilde,
maar wanneer ge oud zijt, zult ge uw handen uitstrekken,
een ander zal u omgorden en u brengen waarheen ge niet wilt.”
Hiermee zinspeelde Hij op de dood
waardoor hij God zou verheerlijken.
En na deze woorden zei Hij hem :
“Volg Mij.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, ©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.