Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 7 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Overweging

Elke mens is op zoek naar geluk. Daarom willen wij van vele dingen proeven. Als het gaat om onze liefde tot de naaste kiezen wij dikwijls voor het minimum. Alles wat we doen wordt afgemeten. Vaak vijlen we van vele evangeliewoorden de scherpe kantjes af. Jezus ‘radicale oproep kan ons daarom schokken, en ja, ons zelfs in verlegenheid brengen. Maar misschien kunnen wij, christenen, – als we ervoor kiezen om meer te doen dan het gewone – in onze samenleving toch een verschil maken.

EERSTE LEZING                                           II Kor. 3, 15-4, 1. 3-6

God is als een licht in onze harten opgegaan,
om de kennis te doen stralen van zijn heerlijkheid.

Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte
.

Broeders en zusters,

Tot heden toe ligt een sluier
over de geest van de kinderen van Israël,
telkens wanneer Mozes wordt voorgelezen.
Maar telkens als iemand zich bekeert tot de Heer
wordt de sluier verwijderd.
De Heer nu is de Geest,
en waar de Geest des Heren is, daar is vrijheid.
Ons allen is het gegeven
met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen
en herschapen te worden tot steeds heerlijker gelijkenis met Hem.
Zo werkt de Heer die Geest is.
Daarom verliezen wij nooit de moed,
nu wij door Gods ontferming met deze dienst zijn belast.
En als er nog een sluier ligt
over de boodschap die wij verkondigen,
dan alleen voor hen die verloren gaan,
voor de ongelovigen,
van wie de geest door de god van deze wereld zozeer is verblind,
dat zij de glans niet ontwaren
van het evangelie van de heerlijkheid van Christus,
die het beeld is van God.
Wij verkondigen immers niet onszelf,
maar Christus Jezus, de Heer;
onszelf beschouwen wij slechts als uw dienaars om Jezus’ wil.
Dezelfde God die gezegd heeft:
“Licht moet schijnen uit het duister”,
is als een licht in onze harten opgegaan,
om de kennis te doen stralen van zijn heerlijkheid,
die ligt over het gelaat van Christus.

TUSSENZANG                                     Ps. 85(84), 9ab-10, 11-12, 13-14

Gods glorie komt weer bij ons wonen.

Aanhoren zal ik wat God tot mij zegt,
voorzeker een woord van verzoening.
Een woord voor zijn volk, voor alwie Hem dient,
voor elk die zijn hart voor Hem opent.
Zijn heil is nabij voor hen die Hem vrezen,
zijn Glorie komt weer bij ons wonen.

Als trouw en erbarmen elkaar tegemoet gaan,
als vrede en recht elkander omhelzen ;
dan zal de trouw uit de aarde ontspruiten,
en ziet uit de hemel gerechtigheid neer.

Dan zal de Heer ons zijn zegen schenken
en draagt ons land rijke vrucht.
Dan zal voor Hem uit gerechtigheid gaan
en voorspoed zijn schreden volgen.

ALLELUIA                                                Mt. 11, 25

Alleluia.
Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde,
omdat Gij deze dingen hebt geopenbaard aan kinderen.
Alleluia.

EVANGELIE                                            Mt.  5, 20-26

Al wie vertoornd is op zijn broeder,
zal strafbaar zijn voor het gerecht.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
.

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Ik zeg u: Als uw gerechtigheid
die van de schriftgeleerden en Farizeeën niet ver overtreft,
zult gij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen.
Gij hebt gehoord dat tot onze voorouders is gezegd:
Gij zult niet doden.
Wie doodt zal strafbaar zijn voor het gerecht.
Maar Ik zeg u:
Al wie vertoornd is op zijn broeder,
zal strafbaar zijn voor het gerecht.
En wie tot zijn broeder zegt: raka,
zal strafbaar zijn voor het Sanhedrin.
En wie zegt: dwaas,
zal strafbaar zijn met het vuur van de hel.

Als gij uw gaven komt brengen naar het altaar,
en daar schiet u te binnen dat uw broeder iets tegen u heeft,
laat dan uw gaven voor het altaar achter,
ga u eerst met uw broeder verzoenen
en kom dan terug om uw gaven aan te bieden.
Haast u het eens te worden met uw tegenpartij
zolang ge nog met hem onderweg zijt;
anders zou uw tegenpartij
u wel eens aan de rechter kunnen overleveren,
en de rechter u aan de gerechtsdienaar,
en zoudt gij in de gevangenis geworpen worden.
Voorwaar, Ik zeg u:
Ge zult daar niet uitkomen,
voordat ge tot de laatste penning hebt betaald.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.