Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 8 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Overweging

De heilige Jacobus (+43) was de eerste apostel die de marteldood stierf. Met zijn broer Johannes en met Petrus behoorde hij tot de drie apostelen die naast Jezus op de berg Tabor stonden bij de gedaanteverandering van de Heer. Het drietal was ook aanwezig bij Jezus in de hof van Olijven. Het is vreemd dat het net deze leerlingen zijn die Jezus regelmatig moet vermanen: denken we bijvoorbeeld aan de vraag van de twee broers om de voornaamste plaats te krijgen in het Godsrijk, aan de vele keren dat Petrus verkeerde wegen bewandelde. Wie onder leerlingen groot wil zijn moet juist dienstbaar worden aan allen. In het koninkrijk van God telt de waardeschaal van de wereld niet meer: alle menselijke streven wordt er gericht op de dienstbaarheid aan God en mensen.

EERSTE LEZING                                                 II Kor. 4, 7-15

Altijd dragen wij he+t sterven van Jezus in ons lichaam mee.

Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen
van Korinte

Broeders en zusters,

Wij dragen een schat in aarden potten ;
duidelijk blijkt
dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons.
Wij worden aan alle kanten bestookt
maar raken toch niet klem ;
wij zien geen uitweg meer
maar zijn nooit ten einde raad ;
wij worden opgejaagd
maar niet in de steek gelaten ;
wij worden neergeveld
maar gaan er niet aan dood.
Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee,
want ook het leven van Jezus
moet in ons lichaam openbaar worden.
Voortdurend wordt ons leven
aan de dood uitgeleverd om Jezus’ wil
opdat ook het leven van Jezus
zich zou openbaren in ons sterfelijk bestaan.
Zo verricht de dood zijn werk in ons en het leven in u.
Maar wij bezitten die geest van geloof waarvan de Schrift zegt :
“Ik heb geloofd,
daarom heb ik gesproken.”
Ook wij geloven en daarom spreken wij.
Want wij weten
dat Hij die de Heer Jezus van de doden heeft opgewekt,
ook ons evenals Jezus ten leven zal wekken
om ons tot zich te voeren, samen met u.
Want alles gebeurt voor u :
de genade moet zich in velen vermenigvuldigen
zodat steeds meer mensen dank brengen aan God,
tot eer van zijn naam.

TUSSENZANG                                 Ps. 126(125), 1-2ab, 2cd-3, 4-5, 6

Die onder tranen zaaien
zij oogsten met gejuich.

De Heer bracht Sions ballingen terug :
het was alsof wij droomden.
Toen lachten alle monden
en juichte elke tong.

Toen zei men bij de volken :
geweldig is het wat de Heer hen deed.
Geweldig was het wat de Heer ons deed,
daarom zijn wij zo blij.

Keer nu ons lot ten goede, Heer,
zoals een beek doet in de Zuid-woestijn.
Die onder tranen zaaien
zij oogsten met gejuich.

Vol zorgen gaan zij uit
met zaaizakken beladen;
maar keren zingend weer
beladen met hun schoven.

ALLELUIA                                                 Joh. 15, 16

Alleluia.
Ik heb u uitgekozen
en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan
en vruchten voort te brengen die blijvend moge zijn.
Alleluia.

EVANGELIE                                               Mt. 20, 20-28

Mijn beker zult ge drinken.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Matteüs

In die tijd trad de moeder van de zonen van Zebedeüs
samen met hen op Jezus toe
en wierp zich voor zijn voeten om Hem iets te vragen.
Hij sprak tot haar :
“Wat verlangt ge ?”
Zij antwoordde Hem :
“Laat deze twee jongens van mij in uw Koninkrijk zitten,
één aan uw rechter- en één aan uw linkerhand.”
Maar Jezus antwoordde :
“Gij weet niet wat gij vraagt.
Zijt gij in staat de beker te drinken die Ik ga drinken ?”
Zij zeiden hem :
“Ja, dat kunnen wij.”
Hij sprak :
“Inderdaad, mijn beker zult ge drinken,
maar het is niet aan Mij
u te doen zitten aan mijn rechter- of linkerhand,
omdat alleen zij dit verkrijgen
voor wie mijn Vader dit heeft bereid.”
Toen de tien anderen dit hoorden
werden zij kwaad op de beide broers.
Jezus echter riep hen bij zich en sprak :
“Gij weet dat de heersers der volkeren
hen met ijzeren vuist regeren
en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen.
“Dit mag bij u niet het geval zijn;
wie onder u groot wil worden
moet dienaar van u zijn,
en wie onder u de eerste wil zijn
moet slaaf van u wezen,
zoals ook de Mensenzoon
niet gekomen is om gediend te worden,
maar om te dienen
en zijn leven te geven als losprijs voor velen.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, ©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.