Dinsdag in de vierde week door het jaar

Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen  en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 8 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

OVERWEGING
Een ontelbare menigte van geloofsgetuigen zijn ons vooraf gegaan. Zij zijn ons nabij wanneer wij ons willen bevrijden van alles wat ons gevangen houdt. Vandaag moedigen zij ons aan om afstand te nemen van kwaad en gebrokenheid, van zonde en verslavingen. Zij leren ons de ogen te richten op de Heer Jezus: van allemaal is Hij de grootste geloofsgetuige.
Maar de ogen richten naar Jezus, is vaak de ogen richten naar het kruis.: het symbool bij uitstek van geloof, van liefde en overgave. Wanneer we naar dat kruis kijken, zullen onze beproevingen in het juiste perspectief gezet worden.

EERSTE LEZING                   II Sam 18, 9-10.14b. 24-25a. 30-19, 3

Ach was ik maar in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon !

Uit het tweede Boek Samuël

In die dagen werd Absalom
door de dienaren van David gevonden.
Toen namelijk  het muildier waarop Absalom reed
onder een grote eik doorging,
raakte Absaloms hoofd tussen de takken beklemd,
en omdat zijn muildier verder liep
kwam hij tussen hemel en aarde te hangen.
Een soldaat zag dat en meldde het aan Joab ;
“Ik heb Absalom gevonden ! Hij hangt in een eik.”

Joab nam drie stokken en raakte daarmee Absalom,
die nog levend midden in de eik hing,
tegen zijn borst.

David zat tussen beide poortgebouwen.
Een wachter klom op het dak van het poortgebouw,
boven op de muur,
en toen hij rondkeek,
zag hij iemand die heel alleen kwam aanrennen.
De wachter liet het de koning melden en deze zei :
“Wacht hier even terzijde.”
De bode Achimaäs deed dat.
Nu kwam ook een tweede bode, een Kusiet aan. Hij zei :
“Ik heb goed nieuws voor mijn heer de koning.
“De Heer heeft u recht verschaft
tegenover allen die tegen u in opstand waren gekomen.”
Maar de koning vroeg de Kusiet :
“Is alles goed met de jongen, met Absalom?”
Toen zei de Kusiet :
“Het was te wensen
dat het alle vijanden van mijn heer de koning,
allen die kwaad tegen u beramen,
op dezelfde wijze verging
als het die jongeman vergaan is.”

Diep geschokt trok de koning zich terug
in de bovenkamer van het poortgebouw;
wenend liep hij op en neer,
terwijl hij bleef roepen :
“Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom !
“Ach was ik maar in jouw plaats gestorven,
Absalom, mijn zoon, mijn zoon!”
Aan Joab werd bericht :
“De koning weent en treurt over Absalom.”
En bij iedereen die hoorde
dat de koning verdriet had om zijn zoon,
verkeerde de overwinningsroes op slag in rouw.

TUSSENZANG                            Ps. 86(85), 1-2, 3-4, 5-6

Aanhoor mijn gebed, Heer, en wil mij verhoren.

Aanhoor mijn gebed, Heer, en wil mij verhoren,
ik ben ongelukkig en arm.
Bescherm mij, want U ben ik toegewijd,
draag zorg voor uw dienaar, hij rekent op U.

Mijn God zijt Gij toch, heb erbarmen met mij,
voortdurend roep ik tot U.
Verblijd het hart van uw dienaar, Heer,
ik richt mij tot U vol vertrouwen.

Gij zijt immers goed en genadig, Heer,
barmhartig voor elk die U aanroept.
Luister dan, Heer, naar mijn bidden,
geef acht op mijn smekende stem.

ALLELUIA                              Joh. 6, 64b, 69b

Alleluia.
Uw woorden, Heer, zijn geest en leven ;
uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.
Alleluia.

EVANGELIE                                                            Mc. 5, 21-43

Meisje, Ik zeg u, sta op.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Marcus

In die tijd, toen Jezus weer met de boot overgestoken was,
stroomde veel volk bij hem samen.
Terwijl Hij zich aan de oever van het meer bevond,
kwam er een zekere Jaïrus, de overste van de synagoge.
Toen hij Jezus zag, viel hij Hem te voet
en smeekte Hem met aandrang:
“Mijn dochtertje kan elk ogenblik sterven,
kom toch haar de handen opleggen
opdat ze mag genezen en leven.”
Jezus ging met hem mee.
Een dichte menigte vergezelde Hem en drong van alle kanten nop.

Er was een vrouw bij die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed.
Zij had veel te verduren gehad van een hele reeks dokters
en haar gehele vermogen uitgegeven,
maar zonder er baat bij te vinden;
integendeel, het was nog erger met haar geworden.
Omdat zij over Jezus gehoord had,
drong zij zich in de menigte naar voren
en raakte zijn mantel aan.
Want ze zei bij zichzelf:
“Als ik slechts zijn kleren kan aanraken,
zal ik genezen zijn.”
Terstond hield de bloeding op
en werd ze aan haar lichaam gewaar
dat ze van haar kwaal genezen was.

Op hetzelfde ogenblik was Jezus zich bewust
dat er een kracht van Hem was uitgegaan;
Hij keerde zich te midden van de menigte om en vroeg:
“Wie heeft mijn kleren aangeraakt?”

Zijn leerlingen zeiden Hem:
“Gij ziet dat de menigte van alle kanten opdringt en Gij vraagt:
Wie heeft Mij aangeraakt?”

Maar Hij liet zijn blik rondgaan om te zien wie dat gedaan had.
Wetend wat er met haar gebeurd was,
kwam de vrouw zich angstig en bevend voor Hem neerwerpen
en bekende Hem de hele waarheid.
Toen sprak Jezus tot haar:
“Dochter, uw geloof heeft u genezen.
“Ga in vrede en wees van uw kwaal verlost.”

Hij was nog niet uitgesproken of men kwam
uit het huis van de overste van de synagoge met de boodschap:
“Uw dochter is gestorven.
“Waartoe zoudt ge de Meester nog langer lastig vallen?”
Jezus ving op wat er bericht werd
en zei tot de overste van de synagoge:
“Wees niet bang maar blijft geloven.”
Hij liet niemand met zich meegaan
behalve Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus.
Toen zij aan het huis van de overste kwamen,
zag Hij het rouwmisbaar
van mensen die luid weenden en weeklaagden.
Hij ging naar binnen en zei tot hen:
“Waarom dit misbaar en geween?
“Het kind is niet gestorven maar slaapt.”
Doch zij lachten Hem uit.
Maar Jezus stuurde ze allemaal naar buiten en ging
met zijn metgezellen en de vader en moeder van het kind
het vetrek binnen waar het kind lag.
Hij pakte de hand van het kind en zei tot haar:
“Talita koemi”;
wat vertaald betekent:
Meisje, sta op.
Onmiddellijk stond het meisje op en liep rond
want het was twaalf jaar.
En ze stonden stom van verbazing.
Hij legde hun nadrukkelijk op
dat niemand het te weten mocht komen, en voegde er aan toe
dat men haar te eten moest geven.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de zondagen.

 

Gepubliceerd door leopardoel

I am a 90-years old retired Johnson & Johnson researcher, who wants to spend the rest of his years to the spreading of the gospel in a daily blog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: