Dinsdag H. Josafat, b. en mrt.

Overweging
De auteur worstelt met het probleem van de vergelding die in dit leven uitblijft. De goddelozen gaat het vaak goed , en de vromen worden niet beloond. We vinden deze problematiek ook in vele psalmen, en in het boek Job. Alleen het geloof in het eeuwig leven kan hierin licht brengen. Hoe groot het onrecht ook is, we vinden rust in de gedachte dat de ergste misdadigers, de grootste aanstichters van kwaad en zonde, allen die op aarde ontsnappen aan berechting, ooit voor God komen te staan en door Hem zullen beoordeeld worden.

EERSTE LEZING                                           Wijsh. 2,23 – 24; 3,1-9
In de ogen der mensen leken zij te sterven, maar ze zijn in vrede.

                             

Uit het boek der Wijsheid

God heeft de mens geschapen voor de onsterfelijkheid,
heeft hem gemaakt tot het beeld van zijn eigen wezen.
Door de afgunst van de duivel kwam echter de dood in de wereld,
en smaken zullen hem
allen die de duivel toebehoren.
Maar de zielen der rechtvaardigen zijn in Gods hand,
geen leed kan hen deren.
In de ogen der mensen leken zij te sterven,
hun einde werd beschouwd als een ramp,
hun heengaan van ons als een ondergang:
maar zij zijn in vrede!
Want al scheen het de mensen toe
dat ze gestraft werden,
toch zal hun hoop beloond worden
met een leven zonder eind.
Na een korte tijd van beproeving
zullen zij met grote weldaden overstelpt worden:
want God heeft ze op de proef gesteld
en ze waardig bevonden voor zich.
Als goud in de vuuroven heeft Hij ze gelouterd,
en ze aanvaard als een welriekend brandoffer.
Wanneer de tijd der vergelding komt,
zullen zij schitteren
sprankelen zullen zij
als vuurvonken in een stoppelveld.
Zij zullen recht spreken over de naties
heersen zullen zij over de volken,
en hun Heer zal koning zijn in eeuwigheid!
Die op God hopen, zullen zijn trouw ondervinden,
die Hem trouw blijven, geborgen zijn in zijn liefde:
want genade en erbarming vallen zijn uitverkorenen ten deel!

TUSSENZANG                                    Ps. 34(33), 2-3, 16-17, 18-19

De Heer zal ik prijzen iedere dag.

De Heer zal ik prijzen iedere dag,
zijn lof ligt mij steeds op de lippen.
Mijn geest is fier op de gunst van de Heer,
laat elk die het hoort zich verheugen.

Het oog van de Heer is gericht op de vrome,
zijn oor naar hun smeken gekeerd.
Van boosdoeners keert Hij zijn aangezicht af,
zij worden op aarde vergeten.

Naar vromen die roepen luistert de Heer,
en redt hen uit iedere nood.
De Heer is nabij voor rouwmoedige harten,
Hij helpt wie zijn schuld erkent.

ALLELUIA                                                   cf. Hand. 16, 14b

Alleluia.
Maak ons hart ontvankelijk, Heer,
en dat wij ons richten naar het woord van uw Zoon.
Alleluia.

EVANGELIE                                              Lc. 17, 7-10
Wij zijn onnutte knechten ;
wij hebben alleen maar onze plicht gedaan.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
.

In die tijd sprak Jezus:
“Wie van u zal tot de knecht
die hij in dienst heeft als ploeger of veehoeder
bij diens thuiskomst van het land zeggen:
Kom meteen aan tafel en tast toe?
Zal hij niet eerder zeggen:
Maak mijn maaltijd klaar;
omgord je en bedien mij terwijl ik eet en drink;
daarna kun je zelf eten en drinken?
Moet hij die knecht soms dankbaar zijn
omdat hij heeft uitgevoerd wat hem is opgedragen?
Zo is het ook met u:
wanneer ge alles hebt gedaan wat u opgedragen werd,
zegt dan: Wij zijn onnutte knechten;
wij hebben alleen maar onze plicht gedaan.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Gepubliceerd door leopardoel

I am a 90-years old retired Johnson & Johnson researcher, who wants to spend the rest of his years to the spreading of the gospel in a daily blog.

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: