Maandag in de goede week

Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf  7 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

 

Overweging
We beluisteren het eerste lied van de Dienaar van de Heer. Men heeft vaak de Perzische koning Cyrus in deze verzen willen herkennen. Inderdaad, hij brak het geknakte riet (Israël) niet. Hij doofde de kwijnende vlaspit (Israël) niet. In tegenstelling met de vorige overheersers was hij geen tiran. De auteur durft hem ‘gezalfde’ noemen. Hij liet gerechtigheid stralen en bevrijdde gevangenen. Wat er ook van zij, de eerste christenen hebben deze teksten gelezen en ingevuld met het beeld van Jezus, de dienaar, die zij voor ogen hadden. De liturgie kon niet anders dan dit alles op Jezus toepassen.

 

EERSTE LEZING                                                 Jes. 42, 1-7

Hij roept niet, en op straat verheft hij zijn stem niet.

 

Uit de Profeet Jesaja

Zo spreekt de Heer :
“Dit is mijn Dienaar die Ik ondersteun,
mijn uitverkorene in wie Ik behagen schep :
mijn geest stort Ik over hem uit,
gerechtigheid laat hij stralen over de volken.
“Hij roept niet, hij schreeuwt niet
en op straat verheft hij zijn stem niet.
“Het geknakte riet zal hij niet breken,
de kwijnende vlaspit niet doven,
in waarheid zal hij de gerechtigheid laten stralen.
“Onvermoeid en ongebroken
zal hij op aarde gerechtigheid laten zegevieren :
de verre kusten zien uit naar zijn leer.”
Zo spreekt God de Heer,
Hij, die het uitspansel schiep en het spande,
die de aarde en haar gewassen uitspreidde,
die de mensen daarop adem gaf
en een geest aan allen die er zich bewegen :
“Ik, de Heer, roep u in gerechtigheid,
Ik neem u bij de hand en waak over u
en maak u voor de mensen tot het teken van mijn verbond
en tot een licht voor de volken.
“Blinden zult gij de ogen openen,
gevangenen uit hun kerker bevrijden
en uit de gevangenis allen die in duisternis zitten.”

 

TUSSENZANG              Ps. 27(26), 1, 2, 3, 13-14

 

De Heer is mijn licht en mijn leidsman.

De Heer is mijn licht en mijn leidsman,
wie zou ik vrezen ;
de Heer is de schuts van mijn leven,
voor wie zou ik bang zijn?

Al stormen boosdoeners aan om mij te verslinden ;
mijn vijanden struikelen, al mijn bestrijders bezwijken.
Al staan zij in slagorde voor mij, ik ben niet bevreesd,
al voeren zij oorlog met mij, toch blijf ik vertrouwen.

Ik reken er nog op tijdens mijn leven
de weldaden van de Heer te ervaren.
Ziet uit naar de Heer en houd dapper stand,
wees moedig van hart en vertrouw op de Heer.

 

VERS VOOR HET EVANGELIE

 

Brengen wij hulde aan onze Koning,
want Hij alleen heeft barmhartigheid betoond
voor onze schuld.

 

EVANGELIE                Joh. 12, 1-11

Laat haar begaan. Zij heeft dit gebruik onderhouden vooruitlopend op mijn begrafenis.

 

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

Zes dagen voor Pasen kwam Jezus te Betanië,
waar Lazarus woonde
die Hij uit de doden had opgewekt.
Men gaf daar een maaltijd te zijner ere.
Marta bediende
en Lazarus was een van degenen die met Hem aanlagen.
Maria nu nam een pond nardusbalsem,
echte en heel kostbare,
zalfde daarmee Jezus’ voeten
en droogde ze met haar haren af.
Het huis hing vol balsemgeur.
Daarop zei Judas Iskariot, een van zijn leerlingen,
dezelfde die Hem zou overleveren :
“Waarom is die balsem niet voor driehonderd denaries verkocht
en het geld aan de armen gegeven ?”
Hij zei dat niet omdat hij bezorgd was voor de armen,
maar omdat hij een dief was
en uit de beurs die hij bewaarde wegnam wat erin kwam.
Jezus echter zei :
“Laat haar begaan.
“Zij heeft dit gebruik onderhouden
vooruitlopend op de dag van mijn begrafenis”.
“Want de armen houdt gij altijd bij u,
Mij echter niet altijd.”

Intussen waren heel veel Joden te weten gekomen
dat Jezus daar was
en kwamen erheen,
niet alleen omwille van Jezus
maar ook om Lazarus te zien
die Hij uit de doden had opgewekt.
De hogepriesters besloten toen ook Lazarus uit de weg te ruimen,
omdat om hem veel Joden wegliepen en in Jezus geloofden.

 

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, ©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

PALM- EN PASSIEZONDAG

Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 7 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Openingswoord

Met de palmtakken in de hand
gedenken we vandaag de intocht van Jezus in Jeruzalem.
Hij komt als een vorst van vrede,
zachtmoedig en zonder groot geweld.
De profeet uit Nazareth blijft rustig bij al het hosanna-gejubel,
misschien zelfs bedroefd,
omdat Hij al voorvoelt hoe het zal aflopen.
Toch kiest Hij in volle vrijheid
om tot het einde trouw te blijven aan zijn zending,
niet zichzelf te redden
maar te blijven vertrouwen op zijn Vader.
Moge deze viering ons sterken en bemoedigen
om diezelfde weg van overgave te gaan.

 

EERSTE  LEZING                    Jes. 50, 4-7
Mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden
maar ik weet dat ik niet te schande zal worden.

Uit de profeet Jesaja

God de Heer heeft mij de gave van het woord geschonken:
ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken.
Elke morgen spreekt Hij zijn woord,
elke morgen richt Hij het woord tot mij
en ik luister met volle overgave.
God de Heer heeft tot mij gesproken
en ik heb mij niet verzet,
ik ben niet teruggedeinsd.
Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen,
mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten,
en mijn gezicht heb ik niet afgewend
van wie mij smaadden en mij bespuwden.
God de Heer zal mij helpen:
daarom zal ik niet beschaamd staan
en zal ik geen spier vertrekken.
Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden.

Antwoordpsalm      Ps. 22(21), 8-9, 17-18a, 19-20, 23-24

Keervers
Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij?

Ze lachen met mij, allen die mij zien,
ze grijnzen en ze schudden met het hoofd.
“Hij steunt toch op de Heer? Laat die hem redden
en hem bevrijden, als Hij hem bemint”.

Een meute honden jaagt mij op,
een bende booswichten houdt mij omsingeld.
Mijn handen en mijn voeten hebben zij doorboord,
mijn beenderen kan ik wel tellen.

Nu delen zij mijn kleren onderling
en dobbelen om mijn gewaad.
Ach, Heer, houd U niet ver van mij,
mijn steun, kom haastig om mij bij te staan.

Uw Naam zal ik verheerlijken onder mijn broeders,
uw lof verkondigen voor heel het volk.
Gij, dienaars van de Heer, verheerlijkt Hem,
heel het geslacht van Jakob, brengt Hem hulde.

TWEEDE LEZING               Fil. 2, 6-11
Christus heeft zich vernederd, daarom heeft God Hem hoog verheven.

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van
Filippi

Broeders en zusters,

Hij die bestond in goddelijke majesteit,
heeft zich niet willen vastklampen
aan de gelijkheid met God.
Hij heeft zichzelf ontledigd
en het bestaan van een slaaf op zich genomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen,
heeft Hij zich vernederd
door gehoorzaam te worden tot de dood,
tot de dood aan het kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven
En Hem de naam verleend
die boven alle namen is.
Opdat bij het noemen van zijn Naam
zich iedere knie zou buigen
in de hemel, op aarde en onder de aarde;
en iedere tong zou belijden,
tot eer van God de Vader:
Jezus Christus is de Heer.

Vers voor het evangelie               Fil. 2, 8-9

Lof en eer zij U, Heer Jezus.
Christus is voor ons gehoorzaam geworden tot de dood,
tot de dood aan een kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend die boven alle namen is.
Lof en eer zij U, Heer Jezus.

EVANGELIE               Mt.  26, 14-27,66

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Matteüs

In die tijd ging een van de twaalf,
Judas Iskariot geheten,
naar de hogepriesters en zei:
“Wat wilt ge mij geven als ik u Jezus in handen speel?”
Zij betaalden hem dertig zilverlingen uit.
En van toen af
zocht hij een gunstige gelegenheid om Jezus over te leveren.

Op de eerste dag van het ongedesemde brood
kwamen de leerlingen Jezus vragen:
“Waar wilt Gij dat wij het paasmaal voor U gereed maken?”
Hij antwoordde:
“Gaat naar de stad en zegt aan die en die:
De Meester laat weten:
Mijn uur is nabij;
bij u wil Ik met mijn leerlingen het paasmaal houden.”
De leerlingen deden zoals Jezus hun had opgedragen
en maakten het paasmaal gereed.

Toen de avond gevallen was,
lag Hij met de twaalf leerlingen aan.
Onder de maaltijd sprak Hij:
“Voorwaar, Ik zeg u:
een van u zal Mij overleveren.”
Smartelijk getroffen, begon de een na de ander Hem te vragen:
“Ik ben het toch niet, Heer?”
Hij antwoordde:
“Die met Mij zijn hand in de schotel steekt,
zal Mij overleveren.
“Wel gaat de Mensenzoon heen
zoals van Hem geschreven staat,
maar wee de mens
door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd!
“Het zou beter voor hem zijn
als hij niet geboren was, die mens!”
Judas, zijn verrader, nam ook het woord en zei:
“Ik ben het toch niet, Rabbi?”
Hij antwoordde hem:
“Gij zegt het”.

Onder de maaltijd nam Jezus brood,
sprak de zegen uit, brak het
en gaf het aan zijn leerlingen, met de woorden:
“Neemt, eet;
dit is mijn lichaam.”
Daarna nam Hij de beker,
en, na het spreken van het dankgebed,
reikte Hij hun die toe met de woorden:
“Drinkt allen hieruit,
want dit is mijn bloed van het Verbond,
dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.
“Maar Ik zeg u:
Van nu af
zal Ik niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt
tot op de dag waarop Ik het met u, nieuw, zal drinken
in het Koninkrijk van mijn Vader.”
Nadat zij de lofzang gezongen hadden,
gingen zij naar de Olijfberg.

Toen sprak Jezus tot hen:
“In deze nacht zult ge allen aanstoot aan Mij nemen.
“Want er staat geschreven:
Ik zal de herder slaan
en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden.
“Maar na mijn verrijzenis zal Ik u voorgaan naar Galilea.”
Toen zei Petrus:
“Al zouden allen aanstoot aan U nemen, ik nooit.”
Jezus zei:
“Voorwaar, Ik zeg u:
nog deze nacht,
voor het kraaien van de haan,
zult gij Mij driemaal verloochenen.”
Petrus antwoordde Hem:
“Al moest ik met U sterven,
in geen geval zal ik U verloochenen”.
In diezelfde geest spraken ook al de leerlingen.

Toen Jezus
met hen aan een landgoed kwam dat Getsemane heette,
sprak Hij tot zijn leerlingen:
“Blijft hier zitten, terwijl Ik ginds ga bidden”.
Petrus en de twee zonen van Zebedeüs
nam Hij echter met zich mee.
Toen sprak Hij tot hen:
“Ik ben bedroefd tot stervens toe.
“Blijft hier en waakt met Mij.”
Nadat Hij een weinig verder was gegaan,
wierp Hij zich plat ter aarde en bad:
“Mijn Vader, als het mogelijk is,
laat deze beker Mij voorbij gaan.
“Maar toch: niet zoals Ik wil,
maar zoals Gij wilt”.
Toe ging Hij naar zijn leerlingen en vond hen in slaap;
en Hij sprak tot Petrus:
“Ging het dan uw krachten te boven
één uur met Mij te waken?
“Waakt en bidt, dat gij niet op de bekoring ingaat.
“De geest is wel gewillig, maar het vlees zwak”.
Hij verwijderde zich voor de tweede keer en weer bad Hij:
“Vader, als het niet mogelijk is
dat die beker voorbij gaat zonder dat Ik hem drink:
dat dan uw wil geschiede”
En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap
want hun oogleden waren zwaar.
Hij liet hen met rust,
ging weer heen en bad voor de derde maal
nogmaals met dezelfde woorden.
Daarna ging Hij naar zijn leerlingen en sprak tot hen:
“Slaapt dan maar door en rust uit!
“Nu is het uur gekomen waarop de Mensenzoon
wordt overgeleverd in de handen van zondaars.
“Staat op, laten we gaan; mijn verrader is nabij”.
Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas,
een van de twaalf,
vergezeld van een grote bende met zwaarden en knuppels,
gestuurd door de hogepriesters en de oudsten van het volk.
Zijn verrader had een teken met hen afgesproken
door te zeggen:
“Die ik zal kussen, Hij is het; grijpt Hem”.
Hij ging recht op Jezus af en zei:
“Gegroet Rabbi”,
en hij kuste Hem.
Jezus sprak tot hem:
“Vriend, zijt ge daarvoor hier?”
Toen kwamen zij naar voren,
grepen Jezus vast en maakten zich van Hem meester.
Maar een van Jezus’ gezellen greep naar zijn zwaard, trok het
en sloeg met één houw de knecht van de hogepriester het oor af.
Toen sprak Jezus tot hem:
“Steek uw zwaard weer op zijn plaats.
“Want allen die naar het zwaard grijpen,
zullen door het zwaard omkomen.
“Of meent ge soms
dat Ik niet de hulp van mijn Vader kan inroepen,
die Mij dan aanstonds
meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zou stellen?
“Maar hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan
die zeggen dat het zo gebeuren moet?”
Nu richtte Jezus zich tot de bende:
“Als tegen een rover
zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels
om Mij gevangen te nemen.
“Dagelijks zat Ik in de tempel te onderrichten
en toch hebt gij Mij niet gegrepen.
“Maar dit alles is geschied
opdat de Schriften van de profeten in vervulling zouden gaan.”
Toen lieten alle leerlingen Hem in de steek en namen de vlucht.

Nu zij Jezus in hun macht hadden,
voerden zij Hem naar de hogepriester Kajafas,
waar de Schriftgeleerden en de oudsten bijeengekomen waren.
Petrus bleef Hem op een afstand volgen
tot aan het paleis van de hogepriester;
hij ging naar binnen en zette zich neer bij het dienstvolk
om te zien hoe het af zou lopen.
De hogepriester en het hele Sanhedrin
zochten naar een schijngetuigenis tegen Jezus
om Hem ter dood te kunnen brengen,
maar ze vonden er geen,
ofschoon er vele valse getuigen optraden.
Tenslotte echter kwamen er twee verklaren:
“Die man daar heeft beweerd:
Ik kan de tempel van God afbreken
en in drie dagen weer opbouwen.”
Toen stond de hogepriester op en sprak tot Hem:
“Geeft Ge geen antwoord?
“Wat getuigen deze mensen tegen U?”
Maar Jezus bleef zwijgen.
Toen sprak de hogepriester tot Hem:
“Ik bezweer U bij de levende God
ons te zeggen of Gij de Christus zijt,
de Zoon van God.”
Jezus gaf hem ten antwoord:
“Gij zegt het.
“Maar Ik zeg u:
vanaf nu
zult ge de Mensenzoon
zien zitten aan de rechterhand van de Macht
en komen op de wolken des hemels”.
Toen scheurde de hogepriester zijn kleed en riep uit:
“Hij heeft God gelasterd;
waartoe hebben we nog getuigen nodig?
“Gij hebt nu toch de godslastering gehoord!
“Wat denkt gij daarvan?”
Zij antwoordden:
“Hij verdient de doodstraf.”
Daarop spuwden zij Hem in het gezicht
en sloegen Hem met de vuist;
anderen sloegen Hem met een stok, terwijl ze zeiden:
“Wees nu eens voor ons profeet, Messias:
wie is het die U geslagen heeft?”
Intussen zat Petrus op de open binnenplaats.
Hier trad een dienstmeisje op Hem toe en zei:
“Jij was ook bij Jezus de Galileeër.”
Maar hij ontkende het waar allen bij waren en zei:
“Ik weet niet wat je bedoelt.”
Hierna ging hij naar het poortgebouw,
maar een ander dienstmeisje merkte hem op
en zei tot de aanwezigen:
“Die daar was bij Jezus de Nazoreeër!”
Hij ontkende opnieuw met een eed:
“Ik ken die mens niet.”
Even daarna kwamen de omstanders dichterbij
en zeiden tot Petrus:
“Waarachtig, jij bent er ook een van!
“Het is duidelijk aan je spraak te horen.”
Toen begon hij te vloeken en te zweren:
“Ik ken die mens niet.”
Onmiddellijk daarop kraaide een haan.
En Petrus herinnerde zich het woord van Jezus, die gezegd had:
“Voor het kraaien van de haan
zult ge Mij driemaal verloochenen.”
Hij ging naar buiten en begon bitter te wenen.

Bij het aanbreken van de morgen
kwamen alle hogepriesters en oudsten van het volk
in vergadering bijeen
en spraken over Jezus het doodvonnis uit.
Geboeid leidde men Hem weg
en men leverde Hem uit aan de landvoogd Pilatus.

Toen Judas, zijn verrader, zag dat Jezus veroordeeld was,
kreeg hij wroeging,
en bracht de dertig zilverlingen
terug bij de hogepriesters en ouderlingen, met de woorden:
“Ik heb misdaan door onschuldig bloed te verraden”.
Maar zij antwoordden:
“Wat gaat ons dat aan?
“Dat is uw zaak”.
Toen gooide hij de zilverlingen in de tempel en liep weg.
Hij ging heen en verhing zich.
De hogepriesters raapten de geldstukken op en zeiden:
“Wij mogen die niet bij de tempelschat doen,
want het is bloedgeld.”
En zij besloten er het land van de pottenbakker mee te kopen
om daar de vreemdelingen te begraven.
Daarom kreeg dit stuk land de naam van Bloedakker
en zo heet het nog.
Aldus ging in vervulling wat de profeet Jeremia gezegd had:
zij namen de dertig zilverlingen,
de prijs waarop Hij geschat is,
geschat door zonen van Israël,
en gaven die voor de akker van de pottenbakker,
zoals de Heer mij opgedragen had.

Jezus werd voor de landvoogd geleid
en deze stelde Hem de vraag:
“Zijt Gij de koning der joden?”
Jezus antwoordde:
“Gij zegt het”.
Op de beschuldigingen,
door de hogepriesters en de oudsten tegen Hem ingebracht,
gaf Hij geen enkel antwoord.
Toen zei Pilatus tot Hem:
“Hoort Gij niet wat ze allemaal tegen U inbrengen?”
Maar Hij gaf hem geen antwoord, op welk punt dan ook,
zodat de landvoogd hoogst verbaasd was.

De landvoogd was gewoon bij elk feest één gevangene,
naar keuze van het volk, vrij te laten.
Men had juist een beruchte gevangene,
een zekere Barabbas.
Nu zij daar toch bijeen waren, sprak Pilatus tot hen:
“Wie wilt ge dat ik u zal vrijlaten,
Barabbas of Jezus die Christus genoemd wordt?”
Hij wist heel goed dat men Hem uit nijd had uitgeleverd.
Terwijl hij op zijn rechterstoel gezeten was,
stuurde zijn vrouw hem de boodschap:
“Laat u niet in met deze rechtschapen mens,
want ik heb vannacht in een droom
veel om Hem moeten doorstaan.”
Maar de hogepriesters en de oudsten haalden het volk over
Barabbas te kiezen, en Jezus te doen sterven.
De landvoogd nam weer het woord en sprak tot hen:
“Wie van de twee wilt ge dat ik u vrijlaat?
Ze zeiden:
“Barabbas!”
Pilatus vroeg hun:
“Wat zal ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt?
Zij riepen allen:
“Aan het kruis met Hem!”
Hij hernam:
“Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?”
Maar zij schreeuwden nog harder:
“Aan het kruis met Hem!”
Toen Pilatus zag dat hij niets verder kwam
maar dat er veeleer tumult ontstond,
liet hij water brengen
en waste ten overstaan van het volk zijn handen
terwijl hij verklaarde:
“Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtschapen man,
gij moet het zelf maar verantwoorden.”
Heel het volk riep terug:
“Zijn bloed kome over ons en onze kinderen!”
Daarop liet hij, omwille van hen, Barabbas vrij,
maar Jezus liet hij geselen
en gaf Hem over om gekruisigd te worden.

Toen namen de soldaten van de landvoogd
Jezus mee in het pretorium
en verzamelden de hele afdeling rondom Hem.
Zij trokken Hem zijn kleren uit
en hingen Hem een rode mantel om.
Ook vlochten ze een kroon van doorntakken,
zetten die op zijn hoofd
en gaven Hem een rietstok in de rechterhand.
Dan vielen ze voor Hem op de knieën
en bespotten Hem met de woorden:
“Gegroet, koning der joden!”
Ze bespuwden hem,
pakten de rietstok en sloegen Hem op het hoofd.
Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden,
ontdeden ze Hem van de mantel,
trokken Hem zijn eigen kleren weer aan
en voerden Hem weg ter kruisiging.

Toen ze de stad uitgingen,
ontmoetten ze een Cyreneeër, Simon genaamd,
en vorderden hem tot het dragen van Jezus’ kruis.
Gekomen op een plaats die Golgota genoemd wordt
-dat wil zeggen Schedelplaats –
gaven ze hem met alsem gemengde wijn te drinken;
Hij proefde ervan, maar wilde niet drinken.
Nadat ze Hem gekruisigd hadden,
verdeelden ze zijn kleren onder elkaar, door er om te dobbelen;
en daar neergezeten, bleven ze de wacht bij Hem houden.

Boven zijn hoofd
bracht men een opschrift aan
met de reden van zijn veroordeling:
Dit is Jezus,
de koning der joden.
Samen met Hem werden ook twee rovers gekruisigd,
de een rechts, de ander links.

Voorbijgangers hoonden Hem,
terwijl ze het hoofd schudden en zeiden:
“Gij daar, die de tempel afbreekt
en in drie dagen weer opbouwt,
red Uzelf;
als Gij de Zoon van God zijt,
kom dan van dat kruis af!”
In dezelfde geest zeiden de hogepriesters
met de schriftgeleerden en oudsten spottend:
“Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf kan Hij niet redden.
Hij is toch de koning van Israël!
“Laat Hem nu van het kruis afkomen,
dan zullen we in Hem geloven.
laat Die Hem nu bevrijden als Hij behagen in Hem heeft.
“Hij heeft immers gezegd: Ik ben de Zoon van God!”
zelfs de rovers die samen met Hem gekruisigd waren,
voegden Hem soortgelijke beschimpingen toe.

Vanaf het zesde uur viel er duisternis over het hele land
tot aan het negende uur toe.
Omstreeks het negende uur riep Jezus met luide stem uit:
“Eli, Eli, lama sabaktani!”
Dat wil zeggen:
Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
Enkelen uit de omstanders die het hoorden, zeiden:
“Hij roept om Elia!”
Onmiddellijk daarop ging een van hen een spons halen,
drenkte die in zure wijn,
stak ze op een rietstok en bood Hem te drinken.
Maar de anderen zeiden:
“Laat dat!
“Wij willen eens zien of Elia Hem komt redden.”
Jezus slaakte andermaal een luide kreet
en gaf de geest.

(Hier knielen allen gedurende enige tijd.)

En zie,
het voorhangsel van de tempel
scheurde van boven tot onder in tweeën,
de aarde beefde en de rotsen spleten.
De graven gingen open
en de lichamen van vele heilige mensen die ontslapen waren,
stonden op.
na zijn verrijzenis kwamen zij uit de graven
en gingen naar de heilige stad
waar zij aan velen verschenen.
De honderdman en zij die met hem bij Jezus de wacht hielden,
werden bij het zien van de aardbeving en wat verder gebeurde,
door een grote vrees bevangen en zeiden:
“Waarlijk, Hij was een Zoon van God.”
Er waren ook vele vrouwen bij, die op een afstand toekeken;
zij waren Jezus vanuit Galilea gevolgd
om voor Hem te zorgen.
Onder hen bevonden zich Maria Magdalena,
Maria, de moeder van Jakobus en Jozef,
en de moeder van de zonen van Zebedeus.

Toen het avond was geworden, kwam een rijk man,
een zekere Jozef van Arimatéa,
die zich ook als leerling bij Jezus had aangesloten.
Hij was naar Pilatus gegaan
en had om het lichaam van Jezus gevraagd.
Daarop had Pilatus bevolen het te geven.
Jozef nam het lichaam,
wikkelde het in smetteloze lijkwade
en legde het in zijn graf
dat hij pas in de rots had laten uithouwen.
Nadat hij een grote steen voor de ingang van het graf gerold had,
ging hij heen.
Maria Magdalena en de andere Maria waren erbij
en zaten tegenover het graf.

De volgende dag,
dat is dus na de voorbereidingsdag,
gingen de hogepriesters en Farizeeën
gezamenlijk naar Pilatus en zeiden:
“Heer, wij herinneren ons
dat die bedrieger toen hij nog leefde, gezegd heeft:
Na drie dagen zal Ik verrijzen.
“Geef daarom order
de veiligheid van het graf te verzekeren, tot de derde dag toe;
zijn leerlingen mochten Hem anders eens komen stelen
en aan het volk zeggen:
Hij is van de doden verrezen.
“Dit laatste bedrog zou nog erger zijn dan het eerste”.
Pilatus zei hun:
“Ge kunt een wacht krijgen.
“Neem dan maar uw veiligheidsmaatregelen
zoals gij u die gedacht hebt.”
Zij gingen heen
en verzekerden de veiligheid van het graf
door de steen te verzegelen
en de wacht erbij te plaatsen.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties bij de zondagse eucharistieviering.

 

Zaterdag van de vijfde week in de veertigdagentijd

Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 7 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Overweging
Niet alle profeten verkondigen onheil. Ezechiël voorzegt gezegende en beloftevolle tijden. Hij spreekt over eenheid en vrede. Ezechiël hield midden alle moeilijkheden die het volk kende de hoop gaande. In scherp contrast daarmee klinkt het evangelie waarin de sfeer rond Jezus spannend, grimmig, verbeten wordt. Het besluit staat vast: Hij moet sterven. Er is geen weg terug. Jezus beseft dat en wil nog ‘dichtbij de woestijn’ met zijn leerlingen samen zijn om vandaaruit de uiteindelijke tocht naar Jeruzalem te maken. Verheerlijking en vernedering zullen daar zijn deel worden.

EERSTE LEZING               Ez. 37, 21-28

Ik zal de kinderen van Israël tot één enkel volk maken.

Uit de Profeet Ezekiël

Zo zegt God de Heer :
“Ik zal de kinderen van Israël,
die overal verspreid onder de heidenvolken leven,
bijeenbrengen en hen terugvoeren naar hun eigen grond.
“Ik zal hen tot één enkel volk maken,
in het land, op de bergen van Israël,
en één koning zal over hen allen regeren.
“Zij zullen niet langer twee volken zijn,
niet langer verdeeld zijn over twee rijken.
“Zij zullen zich niet meer bezoedelen met hun afgoden,
hun gruwelbeelden en al hun misdaden.
“Uit de trouweloosheden waaraan zij zich bezondigd hebben
zal Ik hen verlossen en Ik zal hen reinigen,
zodat zij mijn volk zijn en Ik hun God.
“Dan zal mijn dienaar David koning over hen zijn ;
zij zullen allen één herder hebben.
“Zij zullen leven volgens mijn geboden
en mijn wetten werkelijk onderhouden.
“Zij zullen wonen in het land
dat Ik mijn dienaar Jakob gegeven heb,
het land waar hun vaderen gewoond hebben ;
zij en hun kinderen en hun kleinkinderen
zullen daar voor altijd wonen,
en mijn dienaar David zal voor altijd hun vorst zijn.
“Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten :
een altijddurend verbond zal het zijn.
“Ik zal hun een woonplaats geven,
Ik zal hen talrijk maken
en mijn heiligdom voor altijd onder hen vestigen.
“Mijn woning zal bij hen zijn.
“Zo zullen de heidenvolken weten,
dat Ik, de Heer, Israël heilig maak,
doordat mijn heiligdom voor altijd onder hen is.”

TUSSENZANG            Jer. 31, 10, 11-12ab, 13

De Heer zal ons behoeden, zoals een herder zijn kudde.

Volkeren, hoort dan het woord van de Heer,
geeft er bericht van op verre kusten.

Hij die Israël eens heeft verstrooid
zal het verzamelen, zal het behoeden
zoals een herder zijn kudde hoedt.

Jakob zal worden bevrijd door de Heer,
los uit de greep van hem die het roofde.
Juichend betreden zij Sion weer,
zetten zich neer waar de Heer hen zegent.

Meisjes dansen een vreugdedans
samen met jongens en grijsaards.
Dan breng Ik vreugde in plaats van rouw,
troost en blijdschap na al hun droefheid.

VERS VOOR HET EVANGELIE         Joh. 3, 16

Zozeer heeft God de wereld lief gehad
dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven,
opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan.

EVANGELIE              Joh. 11, 45-56

Jezus zal ook sterven om de verstrooide kinderen van God samen te brengen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

Vele Joden die in die dagen naar Maria waren gekomen
en zagen wat Jezus gedaan had,
geloofden in Hem.
Enigen van hen gingen echter naar de Farizeeën
om hun te vertellen wat Jezus gedaan had.
De hogepriesters en Farizeeën
belegden daarop een zitting van het Sanhedrin en zeiden :
“Wat doen we ?
“Want die man verricht veel wonderen.
“Als wij Hem zijn gang laten gaan
zullen ze allemaal in Hem geloven.
“Dan zullen de Romeinen komen
en met de heilige plaats ook ons volk wegvagen.”
Maar een van hen,
Kájafas, die dat jaar hogepriester was zei hun :
“Gij begrijpt er niets van ;
ge denkt er niet aan, dat het beter voor u is,
dat er één mens voor het volk sterft
dan dat het hele volk ten onder gaat.”
Dit zei hij niet uit zichzelf,
maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij
dat Jezus zou sterven voor het volk,
en niet voor het volk alleen
maar ook om de verstrooide kinderen van God samen te brengen.
Van die dag af waren ze besloten Hem te doden.

Jezus bewoog zich daarom niet meer openlijk onder de Joden,
maar vertrok vandaar naar de streek bij de woestijn,
en wel naar de stad Efraïm waar Hij met zijn leerlingen verbleef.
Toe echter het paasfeest van de Joden op handen was
gingen velen uit de streek vóór Pasen naar Jeruzalem
om zich te reinigen.
Ze zochten naar Jezus
en zeiden tot elkaar terwijl ze in de tempel stonden :
“Wat dunkt u ?
Zou Hij niet naar het feest komen?”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Vrijdag van de vijfde week in de veertigdagentijd

Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 7uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Overweging
Wij, mensen, verdragen nog algemene vermaningen, maar als die te persoonlijk worden dan gaan we protesteren. Wie blijft hameren op hetzelfde en de vinger op de wonde legt, wacht verzet. Jeremia en Jezus hebben het ondervonden. Verwerping en vernedering werden hun deel. Maar ze hielden vol, vanuit hun zendingsbesef. Zij spraken niet in eigen naam, maar in de naam van de Heer. Wie voor de Heer kiest zal misschien vele ‘vrienden’ verliezen. Aanvaarden wij dat er ook vandaag gelovigen zijn die in Gods naam spreken, eenheid en vrede bewerken, het kwaad aanwijzen, Gods oneindige barmhartigheid gestalte geven? Wat doen wij met hen?

EERSTE LEZING                           Jer. 20, 10-13

De Heer is bij mij als een machtig strijder.

Uit de Profeet Jeremia

Ik hoor velen fluisteren :
“Daar heb je ontzetting – overal.”
Breng hem aan, ja, we brengen hem aan.
Al mijn vrienden willen niets liever
dan mij ten val brengen.
Ze zeggen :
Misschien laat hij zich misleiden,
dan overmeesteren we hem
en kunnen we ons op hem wreken.
God de Heer is bij mij als een machtig strijder.
Mijn achtervolgers vallen neer, ze zullen niet overwinnen.
Ze worden diep beschaamd, nooit bereiken ze iets.
Hun schande duurt eeuwig, ze wordt nooit vergeten !
God van de hemelse machten,
die alles rechtvaardig onderzoekt,
die hart en nieren doorgrondt,
laat mij zien hoe Gij U op hen wreekt.
Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.
Zing een lied, een loflied voor de Heer uw God,
want Hij heeft het leven van de arme
uit de macht van de boosdoeners gered.

TUSSENZANG                  Ps. 18(17), 2-3a, 3bc-4, 5-6, 7

Ik wendde mij tot de Heer in mijn nood,
zijn oor ving mijn noodkreten op.

Heer, U heb ik lief, mijn sterkte zijt Gij,
mijn toevlucht, mijn burcht, mijn bevrijder.
Mijn God, de rots waar ik toevlucht vind.

Mijn schild, mijn behoud, mijn bescherming.
Wanneer ik de Heer aanroep, Hij zij geprezen,
dan doet geen vijand mij kwaad.

Want golven van doodsgevaar sloten mij in,
een stortvloed van onheil maakte mij angstig.
Het net van het dodenrijk hield mij gevangen,
de strik van de dood lag reeds om mij heen.

Toen wendde ik mij tot de Heer in mijn nood
en riep ik mijn God aan om hulp.
Hij hoorde mijn stem in zijn hoge paleis,
zijn oor ving mijn noodkreten op.

VERS VOOR HET EVANGELIE                  Lc. 15, 18

Ik ga weer naar mijn vader
en ik zal hem zeggen :
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u.

EVANGELIE                       Joh. 10, 31-42

De Joden proberen Jezus opnieuw te grijpen, maar Hij stelt zich buiten hun bereik.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

In die tijd raapten de Joden stenen op om Jezus te stenigen.
Maar Jezus zei hun :
“Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht
die uit de Vader voortkomen ;
om welk van die werken wilt gij Mij stenigen ?”
De Joden gaven Hem ten antwoord :
“Niet om een goed werk stenigen wij U
maar om een godslastering :
dat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.”
Jezus antwoordde hun :
“Staat er niet in uw wet geschreven :
Ik heb gezegd : gij zijt goden ?
“Zij heeft hen tot wie het woord Gods gericht werd
goden genoemd,
en de Schrift heeft bindende kracht.
“Maar waarom dan beschuldigt ge Mij,
die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd,
van godslastering als Ik Mijzelf Gods Zoon noem?
“Als Ik de werken van mijn Vader niet doe
behoeft gij Mij niet te geloven,
maar zo Ik ze wel doe
gelooft dan die werken als ge Mij niet wilt geloven.
“Dan zult gij inzien en erkennen,
dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.”

Toen probeerden zij opnieuw Hem te grijpen
maar Hij stelde zich buiten hun bereik.
Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan,
naar de plaats waar Johannes aanvankelijk gedoopt had
en bleef daar.
Velen kwamen tot Hem, want ze zeiden :
“Johannes heeft weliswaar geen enkel teken gedaan,
maar alles wat hij over deze man zei was waar.”
En velen begonnen daar in Hem te geloven.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, ©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Donderdag van de vijfde week in de veertigdagentijd

Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 8 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Overweging
Abraham is oud. Hij is kinderloos en dat doet pijn, maar blijft toch hopen op en geloven in God van het Verbond. Abraham zal vader worden van vele volkeren. Wat ogenschijnlijk  bijna dood is, leeft. God wil dat de mens leeft. De geboorte van Isaäk is daarvan het teken. Ouderdom en dood houden God niet tegen om leven te geven. God neemt de toekomst zelf in handen. Jezus treedt binnen in het Verbond dat God in Abraham is aangegaan. Hij bindt de strijd aan tegen de dood. Hij zal van de dood een doorgang maken naar het eeuwige, het ware leven. Voor wie op Hem vertrouwt gaat de toekomst open!

EERSTE LEZING                 Gen. 17, 3-9

Gij zult de vader worden van een menigte volken.

Uit het Boek Genesis

In die tijd wierp Abram zich ter aarde,
en God sprak tot hem :
“Dit is mijn verbond met u :
Gij zult de vader worden van een menigte volken.
“Gij zult niet langer Abram heten ;
uw naam zal Abraham zijn,
want Ik maak u tot vader van een menigte volken.
“Ik zal u zeer vruchtbaar maken,
volken zal Ik van u maken,
zelfs koningen zullen uit u voortkomen.
“Ik sluit een verbond met u en uw nakomelingen,
geslacht na geslacht,
een altijd durend verbond :
Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen,
“Geheel Kanaän, het land waar gij nu als vreemdeling verblijft,
zal Ik aan u en uw nakomelingen geven
om het voor altijd te bezitten,
en Ik zal hun God zijn.”
Verder zei God nog tot Abraham :
“Gij van uw kant moet mijn verbond onderhouden,
gij en uw nakomelingen, geslacht na geslacht.”

TUSSENZANG              Ps. 105 (104), 4-5, 6-7, 8-9

Voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht.

Verlaat u op God, op zijn machtige arm,
blijft altijd zijn Aanschijn zoeken.
Vergeet nooit de wonderen die Hij deed,
zijn tekenen en zijn beloften.

Gij, kroost van zijn dienaar Abraham,
gij zonen van Jakob, zijn welbeminde.
De Heer, Hij is onze enige God,
wat Hij beslist geldt voor heel de aarde.

Voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht,
wat Hij belooft heeft voor duizend geslachten.
De bond die Hij vroeger met Abraham sloot,
de eed die Hij Isaäk eens heeft gezworen.

VERS VOOR HET EVANGELIE                cf. Lc. 8, 15

Zalig zij die het woord dat zij hoorden
in een goed en edel hart bewaren
en vrucht voortbrengen
door hun standvastigheid.

EVANGELIE                   Joh. 8, 51-59

Abraham, uw vader juichte van vreugde bij de gedachte dat hij mijn dag zou zien.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

In die tijd zei Jezus tot de Joden :
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u :
als iemand mijn woord onderhoudt
zal hij in eeuwigheid de dood niet zien.”
Toen zeiden de Joden Hem :
“Nu weten wij zeker dat Gij van de duivel bezeten zijt.
“Want Abraham en de profeten zijn gestorven,
terwijl Gij beweert :
Als iemand mijn woord onderhoudt
zal hij in eeuwigheid de dood niet smaken.
“Zijt Gij soms groter dan onze vader Abraham
die wel gestorven is ?
“Zelfs de profeten zijn gestorven.
“Voor wie houdt Gij Uzelf wel?”
Jezus antwoordde :
“Als ik Mijzelf verheerlijk dan is mijn glorie niets ;
maar mijn Vader is het die Mij verheerlijkt,
van wie gij zegt :
Hij is onze God.
“Toch kent gij Hem niet.
“Ik daarentegen ken Hem
en als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken
zou Ik aan u gelijk zijn : een leugenaar.
“Maar Ik ken Hem en onderhoud zijn woord.
“Abraham, uw vader juichte van vreugde
bij de gedachte dat hij mijn dag zou zien :
hij heeft hem gezien en zich verheugd.”
Toen zeiden de Joden tot Hem :
“Gij zijt nog geen vijftig jaar
en Gij hebt Abraham gezien?”
Jezus antwoordde hun :
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u :
voor Abraham werd ben Ik.”
Toe raapten zij stenen op om Hem te stenigen
maar Jezus trok zich terug en verliet de tempel.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, ©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Woensdag vijfde week in de veertigdagentijd

Overweging

Het volstaat niet van Abrahams geslacht te zijn. Niet de eretekens, niet het staan in een traditie of het behoren tot een belangrijke familie maken de mens vrij. Zijn geloof maakte van Abraham de vader van de gelovigen. Hij toonde een grenzeloos vertrouwen in God, ging gelovig op weg, vertrouwend op Gods beloften. De geloofskracht van de drie jongelingen en van Jezus is niet voor iedereen weggelegd en wordt niet van iedereen gevraagd. Eenvoudig de weg van het geloof en het getuigenis gaan, midden de mensen met wie wij leven en werken: dat zal ons ‘in waarheid’ tot getuigen van het Evangelie maken. Dat zal ons vrijheid schenken.

EERSTE LEZING             Dan. 3, 14-20.91-92.95
De Heer heeft zijn engel gezonden om zijn dienaren te redden.

Uit de Profeet Daniël

In die dagen vroeg koning Nebukadnessar
aan de mannen Sadrak, Mezak en Abednego :
“Is het waar dat gij mijn god niet vereert
en het gouden beeld dat ik heb opgericht niet aanbidt ?
“Welnu, zijt gij bereid om bij het horen van de klanken
van hoorn en fluit, van citer, luit en harp,
van doedelzak en allerlei andere muziekinstrumenten
u neer te werpen en het beeld te aanbidden dat ik gemaakt heb ?
“Weigert gij dat, dan wordt ge op staande voet
in het laaiende vuur van een oven geworpen
en welke god zal u dan uit mijn macht kunnen bevrijden ?”
Zij gaven de koning ten antwoord :
“Nebukadnessar, wij vinden het niet nodig
op uw vraag een antwoord te geven.
“Als er een god is die dat kan,
dan is het onze God die wij vereren :
Hij is in staat ons te bevrijden uit het laaiende vuur van een oven
en Hij zal ons ontrukken aan uw greep, koning.
“Maar de koning zij ervan overtuigd, dat,
ook als God ons niet redt, wij uw god niet vereren
en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, niet aanbidden.”
Toen werd Nebukadnessar woedend op hen
en zijn gelaat vertrok ;
hij gaf bevel de oven zevenmaal heter te stoken dan gewoonlijk,
en de sterksten uit zijn leger droeg hij op
deze mannen te binden
en in de laaiende vuuroven te werpen.
Maar plots schrok koning Nebukadnessar,
stond ijlings op en zei tot zijn raadsheren :
“Wij hebben toch drie mannen geboeid in het vuur geworpen ?”
Zij gaven de koning ten antwoord : “Zeker, koning !”
Hij hernam :
“Maar ik zie vier mannen ongeboeid
en zonder letsel zich in het vuur bewegen ;
de vierde gelijkt op een godenzoon.”
Toen sprak Nebukadnessar :
“Geloofd zij de God van Sadrak, Mezak en Abednego :
Hij heeft zijn engel gezonden om zijn dienaren te redden
die vol vertrouwen op Hem
het bevel van de koning hebben overtreden
en hun lichamen hebben prijsgegeven,
omdat ze geen god wilden vereren
of aanbidden dan hun eigen God.”

TUSSENZANG            Dan. 3, 52, 53, 54, 55, 56

U komt de lof toe in alle eeuwen.

Geprezen zijt Gij, Heer, God onzer vaderen,
U komt de lof toe in alle eeuwen.

Geprezen uw heilige roemrijke Naam,
U komt de lof toe in alle eeuwen;

Geprezen zijt Gij in het huis van uw glorie,
U komt de lof toe in alle eeuwen.

Geprezen zijt Gij op de troon van uw koninkrijk,
U komt de lof toe in alle eeuwen.

Geprezen zijt Gij, die de diepten doorschouwt,
tronend op kerubs, in alle eeuwen.

Geprezen zijt Gij in de koepel des hemels,
U komt de lof toe in al

VERS VOOR HET EVANGELIE                Mt. 4,4b

Niet van brood alleen leeft de mens,
maar van alles wat uit de mond van God voortkomt.

EVANGELIE          Joh. 8, 31-42
Als de Zoon u vrijmaakt, zult gij werkelijk vrij zijn.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

In die tijd zei Jezus tot de Joden die in Hem geloofden :
“Indien gij trouw blijft aan mijn woord
zijt gij waarlijk mijn leerlingen.
“Dan zult ge de waarheid kennen
en de waarheid zal u vrij maken.”
Men wierp op :
“Wij zijn van Abrahams geslacht
en nooit iemands slaaf geweest.
“Hoe kunt Gij dan zeggen :
gij zult vrij worden ?”
Jezus antwoordde hun :
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u :
alwie zonde doet
is slaaf van de zonde,
en de slaaf blijft niet voor eeuwig in het huis.
“Wie eeuwig in het huis blijft
is de Zoon.
“Als de Zoon u vrij maakt
zult gij werkelijk vrij zijn.
“Ik weet dat gij van Abrahams geslacht zijt ;
niettemin zoekt gij Mij te doden
omdat mijn woord bij u geen ingang vindt.
“Ik verkondig wat Ik bij de Vader heb gezien,
maar gij doet wat gij van uw vader gehoord hebt.”
Zij antwoordden Hem :
“Onze vader is Abraham !”
Daarop zei Jezus hun :
“Als gij kinderen van Abraham zijt
doet dan ook de werken van Abraham.
“Thans echter zoekt gij Mij, een mens te doden
terwijl Ik u de waarheid heb gezegd
die Ik van God heb gehoord.
“Zoiets deed Abraham niet.
“Gij doet de werken van uw vader.”
Zij zeiden Hem :
“Wij zijn niet uit ontucht geboren ;
één vader hebben wij
en dat is God.”
Jezus zeide hun :
“Als God uw vader was
zoudt gij Mij beminnen,
want van God ben Ik uitgegaan
en van Godswege ben Ik hier.
“Neen, Ik ben niet uit Mijzelf gekomen
maar Hij heeft Mij gezonden.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Dinsdag van de vijfde week in de veertigdagentijd

Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 7 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Overweging
De ervaringen van het volk Israël kunnen ons zoveel leren. Ze zijn zo diepmenselijk.  Onze blik oprichten en kijken naar de tekens van heil en verlossing die langs de levensweg zijn opgericht. Misschien worden wij geroepen om teken van redding te zijn op de levensweg van mensen die wij ontmoeten. Naast onze zwakheid is het ons gegeven ook een teken van heil en van leven te worden. Wij mogen steun zoeken bij het kruis van Christus. Het teken van ondergang, vernedering en schande kan voor wie gelooft een teken worden van overwinning en zegen.

EERSTE LEZING                   Num. 21, 4-9

Iedereen die gebeten is en opziet naar de bronzen slang, zal in leven blijven.

Uit het Boek Numeri

In die tijd trokken de Hebreeën van de berg Hor
in de richting van de Rietzee,
want zij wilden om Edom heentrekken.
Maar onderweg werd het volk ongeduldig.
Het keerde zich tegen God en tegen Mozes.
“Hebt gij ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn ?
“Er is geen brood, er is geen water
en dat minderwaardige eten staat ons tegen.”
Toen zond de Heer giftige slangen op het volk af.
Deze beten de Israëlieten en velen van hen vonden de dood.
Nu kwam het volk naar Mozes en zei :
“Wij hebben gezondigd,
want wij hebben ons tegen de Heer en tegen u gekeerd.
“Bid de Heer, dat hij die slangen van ons wegneemt.”
Toen bad Mozes voor het volk
en de Heer zei tot hem :
“Maak zo’n giftige slang en zet die op een paal.
“Iedereen die gebeten is en er naar opziet,
zal in leven blijven.”
Mozes maakte een bronzen slang
en zette die op een paal.
Ieder die door een slang was gebeten
en zijn ogen op de bronzen slang richtte,
bleef in leven.

TUSSENZANG                  Ps. 102(101), 2-3, 16-18, 19-21

Heer, verhoor mijn gebed,
laat mijn geroep U bereiken.

Heer, verhoor mijn gebed,
laat mijn geroep U bereiken.
Verberg uw gelaat niet voor mij
wanneer de zorgen mij drukken.
Schenk mij uw aandacht, Heer,
verhoor mij zodra ik U aanroep.

De heidenen zullen uw Naam weer duchten,
de vorsten der aarde uw heerlijkheid, Heer ;
wanneer Gij de muren van Sion herbouwt,
wanneer Gij daar weerkeert in volle luister;
wanneer Gij de stem der geplunderden hoort,
hun smeekbeden niet naast U neerlegt.

Stelt dit dan op schrift voor het komend geslacht
en laat onze zonen de Heer ervoor danken.
De Heer ziet omlaag van zijn heilige hoogte,
Hij ziet uit de hemel op aarde neer.
Hij zal het geschrei der gevangen horen,
verlossen die aan de dood zijn gewijd.

VERS VOOR HET EVANGELIE           Ps. 130(129), 5 en 7

Op de Heer stel ik mijn hoop,
op zijn woord vertrouw ik;
want de Heer is steeds barmhartig,
zijn genade onbeperkt.

EVANGELIE                         Joh. 8, 21-30

Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, zult gij inzien dat Ik ben.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

In die tijd sprak Jezus tot de Farizeeën :
“Ik ga heen
en gij zult Mij zoeken,
maar in uw zonden zult ge sterven.
“Waar Ik heenga kunt gij niet komen.”
De Joden zeiden daarop :
“Hij zal toch geen zelfmoord plegen
dat Hij zegt :
Waar Ik heenga kunt gij niet komen ?”
Maar Hij hernam :
“Gij zijt van beneden,
Ik ben van boven.
“Gij zijt van deze wereld,
Ik ben niet van deze wereld.
“Daarom zei Ik u
dat gij in uw zonden zult sterven,
want als gij niet gelooft dat Ik ben,
zult gij in uw zonden sterven.”
Zij vroegen Hem toen :
“Wie zijt Gij dan?”
Jezus antwoordde :
“Waarom zou Ik eigenlijk daar nog met u over spreken?
“Veel zou Ik over u kunnen zeggen tot uw veroordeling.
“Maar Hij die Mij gezonden heeft is waarachtig,
en wat Ik van Hem heb gehoord
dat zeg Ik tot de wereld.”
Zij begrepen niet dat Hij hun van de Vader sprak.
Daarop zei Jezus :
“Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven,
dan zult gij inzien dat Ik ben
en dat Ik uit Mijzelf niets doe,
maar dit alles zeg
zoals de Vader het Mij heeft geleerd.
“En Hij die Mij gezonden heeft
is met Mij ;
Hij heeft Mij niet alleen gelaten
omdat Ik altijd doe wat Hem behaagt.”
Toen Hij aldus sprak
gingen er velen in Hem geloven.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, ©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Maandag van de vijfde week in de veertigdagentijd

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 7 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Overweging
De lezingen van vandaag lopen meer parallel dan men zou denken. Tweemaal vinden we een beschuldigde van overspel. Tweemaal treffen we hypocriete rechters. Tweemaal is er een verlossende redder voor de vrouw.
Jezus neemt de zonde niet licht op. Maar Hij is barmhartig voor de zondaars, klaagt vooral de hypocriete rechters aan, zoals Daniël dat vóór hem deed. Toch moeten wij ook voorzichtig zijn met dit verhaal dat ons leert niet te oordelen. Vereenzelvigen wij ons niet gemakkelijk met de zondige vrouw die genade krijgt, omdat ook wij naar vergiffenis verlangen? Die vergelijking is zeker niet verkeerd, zolang wij ook stilstaan bij deze vraag: zijn we soms ook niet de aanklagers?

EERSTE LEZING                  Dan. 13, 1-9.15-17.19-30.33-62

Ofschoon ik niet gedaan heb hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen, moet ik toch sterven.

Uit de Profeet Daniël

Lang geleden woonde er in Babel een man die Joakim heette.
Hij had een vrouw, Susanna genaamd, de dochter van Chelkia ;
zij was buitengewoon mooi en vroom.
Omdat haar ouders rechtschapen mensen waren
hadden ze hun dochter volgens de wet van Mozes opgevoed.
Joakim was zeer rijk en bezat een park, dat bij zijn huis lag ;
bij hem kwamen de Joden samen,
omdat hij de aanzienlijkste man onder hen was.
Nu waren er dat jaar twee oudsten uit het volk
tot rechters aangesteld ;
van hen gold wat de Heer gezegd heeft :
De goddeloosheid is in Babel begonnen,
bij de oudsten die rechters waren en voorgaven
het volk te besturen.
Ze waren voortdurend in het huis van Joakim,
waar ieder die rechtszaken had zich tot hen wendde.
Als het volk tegen de middag vertrokken was,
ging Susanna wandelen in het park van haar man.
De twee oudsten sloegen haar dagelijks gade,
als zij zich ging verpozen,
en een hartstochtelijke begeerte naar haar kwam in hen op.
Zij verdraaiden de stem van hun geweten,
wendden hun ogen af van de hemel en dachten niet aan de dreiging
van de rechtvaardige straffen.
Terwijl zij naar een geschikte dag uitzagen,
ging Susanna vergezeld van twee dienstmeisjes,
volgens haar gewoonte weer eens het park in.
En omdat het warm was, wilde zij er een bad nemen ;
er was immers niemand behalve de twee oudsten,
die zich hadden verscholen en haar begluurden.
Susanna zei dus tot de dienstmeisjes :
“Ga olie en balsem halen en sluit de poort van het park,
dan ga ik een bad nemen.”
Zodra de dienstmeisjes vertrokken waren,
kwamen de twee oudsten te voorschijn en liepen op haar toe
en zeiden :
“Susanna, de poort van het park is gesloten
en er is niemand die ons ziet ;
wij branden van begeerte naar je :
wees ons daarom terwille en heb gemeenschap met ons,
anders zullen we tegen jou getuigen,
dat er een jongeman bij je was
en dat je daarom de dienstmeisjes hadt weggestuurd.”
Susanna zuchtte diep en sprak :
“Van alle kanten word ik bedreigd :
want doe ik het, dan wacht mij de dood ;
doe ik het niet, dan zal ik uw hand niet ontkomen.
“Maar liever val ik onschuldig in uw handen
dan te zondigen tegen de Heer.”
Daarop begon Susanna luid te roepen,
maar de twee oudsten schreeuwden tegen haar in
en een van hen liep naar de poort van het park en opende die.
Toen degenen die in huis waren
het geschreeuw in het park hoorden,
kwamen ze door de zij-ingang toegesneld om te zien
wat Susanna overkomen was.
Toen de oudsten hun verhaal deden,
geraakten de bedienden in grote verlegenheid,
want nog nooit was zoiets van Susanna verteld.
Toen het volk de volgende dag
weer bij haar man Joakim samenkwam,
gingen de oudsten er toe over om hun goddeloos plan uit te voeren
en Susanna ter dood te brengen.
Voor het verzamelde volk bevalen ze :
“Laat Susanna halen, de dochter van Chelkia,
de vrouw van Joakim.”
Men liet haar halen.
Zij verscheen, vergezeld van haar ouders,
haar kinderen en al haar verwanten.
Haar verwanten en allen die haar zagen weenden.
Terwijl de twee oudsten voor het volk gingen staan
en hun handen op haar hoofd legden,
blikte Susanna schreiend op naar de hemel,
want in haar hart bleef zij vertrouwen op de Heer.
Toen verklaarden de oudsten :
“Terwijl we alleen in het park wandelden,
kwam zij met twee dienstmeisjes naar binnen,
sloot de poort en stuurde de meisjes weg.
“Daarop kwam er een jonge man naar haar toe,
die zich schuil had gehouden, en ging bij haar liggen.
“Toen we vanuit een hoek van het park het misdrijf bemerkten,
snelden we naar hen toe
en zagen dat ze met elkaar gemeenschap hadden.
“Hem konden wij niet te pakken krijgen,
omdat hij sterker was dan wij,
de poort opende en zich uit de voeten maakte ;
maar haar grepen we
en we vroegen haar, wie die jongman was ;
maar ze wilde het ons niet zeggen. Dat getuigen wij.”
De vergadering geloofde hen,
gezien zij oudsten van het volk waren en rechters,
en veroordeelde Susanna ter dood.

Nadat Susanna ter dood veroordeeld was
riep zij met luide stem :
“Eeuwige God, die het verborgene kent
en alles reeds weet, voordat het gebeurt,
Gij weet dat deze oudsten
een vals getuigenis tegen mij hebben afgelegd ;
en ofschoon ik het niet gedaan heb
hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen,
moet ik toch sterven.”
De Heer verhoorde haar gebed.
Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden,
gaf God een jongeman, Daniël geheten, een heilig besluit in.
Deze jongeman riep met luide stem :
“Ik ben onschuldig aan haar bloed!”
Waarop het volk zich naar hem toekeerde en vroeg :
“Wat bedoel je daarmee?”
Hij ging in hun midden staan en zei :
“Zijn jullie niet goed wijs, zonen van Israël ?

“Veroordelen jullie een dochter van Israël
zonder nader onderzoek en kennis van zaken ?
“Ga terug naar de rechtszaal, want dezen hier
hebben een vals getuigenis tegen haar afgelegd.”
Daarop ging al het volk haastig naar de rechtszaal terug.
Daar zeiden de oudsten tot Daniël :
“Neem plaats in ons midden en deel ons je bedoelingen mee,
want God heeft je het gezag van de ouderdom verleend.”
Toe zei Daniël tot hen :
“Zonder ze van elkaar af,
dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.”
Ze werden dus van elkaar gescheiden.
Daniël riep vervolgens een van de twee oudsten bij zich en zei :
“Je bent in boosheid vergrijsd,
maar nu krijg je de straf voor al de zonden die je bedreven hebt
door onrechtvaardige vonnissen te vellen :
onschuldigen heb je veroordeeld en schuldigen vrijgesproken
in strijd met het gebod van de Heer :
Breng iemand die onschuldig is en in zijn recht staat,
niet ter dood.
“Welnu, als je haar op heterdaad betrapt hebt,
zeg dan onder wat voor een boom heb je ze samen gezien ?”
Hij antwoordde : “Onder een mastiekboom.”
Daniël hernam : “Die prachtige leugen kost je je kop !
“Want Gods engel heeft van God al bevel gekregen
je in tweeën te splijten.”
Nadat Daniël deze had laten wegleiden,
liet hij de ander voorkomen en zei tot hem :
“Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda !
De schoonheid heeft je verleid
en de hartstocht heeft je hoofd op hol gebracht.
“Zo handelen jullie met de dochters van Israël
en uit vrees waren die jullie ter wille,
maar een dochter van Juda
heeft zich niet willen schikken naar jullie boosheid.
“Welnu : Onder wat voor een boom
heb je ze betrapt?”
Hij antwoordde : “Onder een steeneik.”
Daniël hernam :
“Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld !
“Want Gods engel staat reeds klaar
om je met het zwaard doormidden te houwen
en jullie beiden te verdelgen.”
Hierop barste heel de vergadering los in luid gejuich
en men loofde God, die redt wie op Hem vertrouwt.
En nu Daniël met hun eigen woorden bewezen had
dat de twee oudsten een vals getuigenis hadden afgelegd,
keerde het volk zich tegen hen
en overeenkomstig de wet van Mozes
voltrokken ze aan de oudsten de straf
die zij in hun boosheid hun naaste hadden beraamd :
ze werden ter dood gebracht.
Zo werd die dag een onschuldige van de dood gered.

TUSSENZANG                Ps. (23), 22 1-3a, 3b-4, 5, 6

Al voert mijn weg door donkere kloven,
ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt.

De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort ;
Hij laat mij weiden op groene velden.
Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten,
Hij geeft mij weer frisse moed.

Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden
omwille van zijn Naam.
Al voert mijn weg door donkere kloven,
ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt.
Uw stok en uw herderstaf
geven mij moed en vetrouwen.

Gij nodigt mij aan uw tafel
tot ergernis van mijn bestrijders.
Met olie zalft Gij mijn hoofd,
mijn beker is overvol.

Voorspoed en zegen verlaten mij nooit
elke dag van mijn leven.
Het huis van de Heer zal mijn woning zijn
voor alle komende tijden.

VERS VOOR HET EVANGELIE        Ez. 33, 11

Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze,
zegt de Heer,
maar veeleer daarin, dat hij zich bekeert en leeft.

EVANGELIE               Joh. 8, 1-11

Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg.
‘s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel
en al het volk kwam naar Hem toe.
Hij ging zitten en onderrichtte hen.
Toen brachten schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw
die op overspel was betrapt.
Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem :
“Meester, deze vrouw
is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef.
“Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen
zulke vrouwen te stenigen.
Maar Gij,
wat zegt Gij ervan?”
Dit bedoelden ze als een strikvraag
in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen.
jezus echter boog zich voorover
en schreef met zijn vinger op de grond.
Toen ze bij Hem aanhielden met vragen
richtte hij zich op en zei tot hen :
“Laat degene onder u die zonder zonden is,
het eerst een steen op haar werpen.”
Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond.
Toen zij dit hoorden
dropen zij een voor een af,
de oudsten het eerst,
totdat Jezus alleen achterbleef met de vrouw
die daar was blijven staan.
Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar :
“Vrouw, waar zijn ze gebleven ?
“Heeft niemand u veroordeeld ?”
Zij antwoordde :
“Niemand, Heer.”
Toen zei Jezus tot haar :
“Ook Ik veroordeel u niet ;
ga heen en zondig van nu af niet meer.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, ©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Vijfde zondag in de veertigdagentijd

Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 7 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Openingswoord

Het paasfeest komt dichterbij.
We horen verhalen over de opstanding uit de dood.
Lazarus, die door Jezus uit het graf wordt geroepen,
is vandaag ‘icoon’ van de verrezen Christus:
de kracht van Gods levensgeest maakt
dat de dood hem niet gevangen kan houden.
Kunnen wij geloven dat die Geest van God,
die Jezus bezielde,
ook in ons leeft en aan het werk is?
Dat Hij ook ons wegroept uit al wat dood en duister is?
Openen wij ons hart voor Hem die ons zegt:
‘Ik ben de verrijzenis en het leven.’

EERSTE LEZING           Ez. 37, 12-14

Ik zal mijn geest over u uitstorten en gij zult leven.

Uit het boek Ezechiël

Zo spreekt God de Heer:

“Ik ga uw graven openen;
in massa’s zal Ik u uit uw graven wegvoeren
en u brengen naar de grond van Israël.
“En wanneer Ik dan uw graven geopend heb
en u in massa’s zal hebben weggevoerd uit uw graven,
zult gij weten dat Ik de Heer ben.
“Mijn geest zal Ik over u uitstorten en gij zult leven;
Ik zal u vestigen op uw eigen grond
en gij zult weten dat Ik de Heer ben:
Wat Ik zeg, dat volbreng Ik !”
Zo luidt de godsspraak van de Heer.

Antwoordpsalm                Ps. 130(129), 1-2, 3-4, 5-6ab, 7-8

Keervers
De Heer is steeds barmhartig,
zijn genade onbeperkt.

Uit de diepte roep ik, Heer,
luister naar mijn stem.
Wil aandachtig horen
naar mijn smeekgebed.

Als Gij zonden blijft gedenken,
Heer, wie houdt dan stand?
Maar bij U vind ik vergeving,
daarom zoekt mijn hart naar U.

Op de Heer stel ik mijn hoop,
op zijn woord vertrouw ik.
Gretig zie ik naar Hem uit,
meer dan wachters naar de ochtend.

Want de Heer is steeds barmhartig,
zijn genade onbeperkt.
Hij zal Israël verlossen
van zijn ongerechtigheid.

TWEEDE  LEZING      Rom. 8, 8-11

De Geest van Hem, die Jezus van de doden heeft opgewekt, woont in u.

Uit de brief van de heiige apostel Paulus aan de christenen van Rome

Broeders en zusters,

Zij die zelfzuchtig leven,
kunnen God niet behagen.
Maar uw bestaan wordt niet beheerst
door de zelfgenoegzaamheid,
maar door de Geest,
omdat de Geest van God in u woont.

Zou iemand de Geest van Christus niet hebben,
dan behoort hij Hem niet toe.
Als Christus in u is,
blijft wel uw lichaam door de zonde
de dood gewijd,
maar uw geest lééft,
dankzij de gerechtigheid.
En als de Geest van God
die Jezus van de doden heeft opgewekt, in u woont,
zal Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan,
ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken
door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft.

Vers voor het evangelie           Joh. 11, 25a en 26

Lof en eer zij U, Heer Jezus.
Ik ben de verrijzenis en het leven, zegt de Heer,
wie in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.
Lof en eer zij U, Heer Jezus.

EVANGELIE                    Joh. 11, 1-45

Ik ben de verrijzenis en het leven.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd
was er iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië,
het dorp van Maria en haar zuster Marta.
Maria was de vrouw die de Heer met geurige olie had gezalfd
en zijn voeten met haar haren had afgedroogd.
De zieke Lazarus was haar broer.

De zusters van Lazarus stuurden Jezus de boodschap:
“Heer, hij die Gij liefhebt, is ziek.”
Toen Jezus dit hoorde, zei Hij:
“Deze ziekte voert niet tot de dood,
maar is om Gods glorie,
opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden.”

Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus.
Toen Hij dan ook hoorde dat Lazarus ziek was,
bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse,
maar daarna zei Hij tot zijn leerlingen:
“Laat ons weer naar Judea gaan.”

De leerlingen zeiden:
“Rabbi, nog pas probeerden de joden U te stenigen
en gaat Gij er nu weer heen?”
Jezus antwoordde:
“Heeft de dag geen twaalf uren?
“Overdag kan iemand gaan zonder zich te stoten,
omdat hij het licht van deze wereld ziet.
“Maar gaat iemand ’s nachts, dan stoot hij zich
omdat het licht niet in hem is.”

Zo sprak Hij.
En Hij voegde er aan toe:
“Onze vriend Lazarus is ingeslapen,
maar Ik ga erheen om hem te wekken.”
Zijn leerlingen merkten op:
“Heer, als hij slaapt, zal hij beter worden.”
Jezus had echter van zijn dood gesproken,
terwijl zij meenden dat Hij over de rust van de slaap sprak.
Daarom zei Jezus hun toen ronduit:
“Lazarus is gestorven,
en omwille van u verheug Ik Mij dat Ik er niet was,
opdat gij moogt geloven.
“Maar laat ons naar hem toegaan.”
Toen zei Tomas, bijgenaamd Didymus, tot zijn medeleerlingen:
“Laten ook wij gaan om met Hem te sterven.”

Bij zijn aankomst bevond Jezus
dat Lazarus al vier dagen in het graf lag.

Betanië nu was dichtbij Jeruzalem,
op een afstand van ongeveer drie kilometer.
Vele joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen
om hen te troosten over het verlies van hun broer.

Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was,
ging zij Hem tegemoet;
Maria echter bleef thuis.
Marta zei tot Jezus:
“Heer, als Gij hier waart geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn.
“Maar zelfs nu weet ik
dat wat Gij ook aan God vraagt,
God het U zal geven.”
Jezus zei tot haar:
“Uw broer zal verrijzen.”
Marta antwoordde:
“Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.”
Jezus zei tot haar:
“Ik ben de verrijzenis en het leven.
“Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft in geloof aan Mij,
zal in eeuwigheid niet sterven.
“Gelooft gij dit?”
Zij zei tot Hem:
“Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt,
de Zoon Gods, die in de wereld komt.”
Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen
en zei zachtjes:
“De Meester is er en vraagt naar je.”
Zodra Maria dit hoorde,
stond zij vlug op en ging naar Hem toe.
Jezus was nog niet in het dorp aangekomen,
maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had.
Toen de joden die met Maria in huis waren om haar te troosten,
haar plotseling zagen opstaan en weggaan,
volgden zij haar
in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen.

Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond,
viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei:
“Heer, als Gij hier waart geweest
zou mijn broer niet gestorven zijn.”
Toen Jezus haar zag wenen,
en eveneens de joden die met haar waren meegekomen,
doorliep Hem een huivering
en diep ontroerd sprak Jezus:
“Waar hebt gij hem neergelegd?”
Zij zeiden Hem:
“Kom en zie, Heer.”
Jezus begon te wenen,
zodat de joden zeiden:
“Zie eens hoe Hij van hem hield.”
Maar sommigen onder hen zeiden:
“Kon Hij die de ogen van een blinde opende,
ook niet maken dat deze niet stierf?”
Bij het graf gekomen overviel Jezus opnieuw een huivering.

Het was een rotsgraf en er lag een steen voor.
Jezus zei:
“Neemt de steen weg.”
Marta, de zuster van de gestorvene, zei Hem:
“Hij riekt al, want het is reeds de vierde dag.
Jezus gaf haar ten antwoord:
“Zei Ik u niet dat als gij gelooft,
ge Gods heerlijkheid zult zien?”
toen namen ze de steen weg.
Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak:
“Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt.
“Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort,
maar omwille van het volk rondom Mij
heb Ik dit gezegd,
opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.”
Na deze woorden riep Hij met luide stem:
“Lazarus, kom naar buiten!”
De gestorvene kwam naar buiten,
voeten en handen met zwachtels gebonden
en met een zweetdoek om zijn gezicht.
Jezus beval hun:
“Maak hem los en laat hem gaan.”
Vele joden, die naar Maria waren gekomen
en zagen wat Jezus gedaan had,
geloofden in Hem.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties bij de zondagse eucharistieviering.

Zaterdag van de vierde week in de veertigdagentijd

Inleiding

Gevolg gevend aan de Apostolische exhortatie Evangelii Gaudium van Paus Franciscus, wil deze inleiding U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Het evangelie is eerst en vooral een uitnodiging om een antwoord te geven aan God die ons liefheeft en redt, door Hem te erkennen in de ander en door uit onszelf te treden om het goede te zoeken voor allen. Het evangelie reikt die eenheid en volheid van het menselijk leven aan, die de beste remedie is tegen alle vormen van kwaad.

Langs deze elektronische weg wordt U uitgenodigd om dagelijks het evangelie te lezen en even na te denken over de betekenis voor uw leven. Het is vanaf 7 uur ‘s morgens steeds ter beschikking.

Overweging

De religieuze leiders nemen het op tegen onrustzaaiers zoals Jeremia en Jezus. Zij spannen daarbij het volk zelf voor hun kar. De Schriftteksten van deze dag laten een scherpe aanklacht horen. Omwille van eigen voordeel spelen mensen dikwijls samen met de machtigen. Men moet het zelf meegemaakt hebben om te beseffen wat mensen elkaar durven aandoen. Jeremia, Jezus: hun verhaal gaat tot op vandaag door. “We vellen de boom in zijn volle kracht. We bannen hem uit het land van de levenden, zodat zijn naam niet meer wordt genoemd”.

EERSTE LEZING                Jer. 11, 18-20

Ik was argeloos als een lam dat ter slachting geleid wordt.

Uit de Profeet Jeremia

Toen God de Heer mij waarschuwde, kreeg ik het pas door ;
gij hebt mij inderdaad hun plannen laten zien.
Ik was argeloos
als een lam dat ter slachting geleid wordt ;
ik vermoedde niet wat ze tegen mij beraamden :
We vellen de boom in zijn volle kracht.
We bannen hem uit het land van de levenden,
zodat zijn naam niet meer wordt genoemd.

Heer, God van de hemelse machten,
uw oordeel is rechtvaardig,
Gij doorgrondt hart en nieren.
Laat mij dan zien, hoe Ge U op hen wreekt;
ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.

TUSSENZANG            Ps. 7, 2-3, 9bc-10, 11-12

Heer, mijn God, tot U vlucht ik.

Heer, mijn God, tot U vlucht ik,
verlos mij van mijn vervolgers.
Anders slepen de leeuwen mij mee,
verscheuren zij mij zonder redding.

Verschaf mij recht naar verdienste,
omdat ik niet schuldig ben.
Eindig het onrecht, bevestig het recht,
rechtvaardige God, die de harten kent.

Het schild dat mij dekt is God,
oprechte harten beschermt Hij.
Hij is een rechtvaardig rechter,
een altijd dreigende God.

VERS VOOR HET EVANGELIE          Ps. 51(50), 12a en 14a

Schep in mij een zuiver hart, mijn God,
geef mij weer de weelde van uw zegen.

EVANGELIE                    Joh. 7, 40-53

Komt de Messias soms uit Galilea ?

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

Bij het horen van Jezus’ woorden
zeiden sommigen van het volk :
“Dit is inderdaad de profeet.”
Anderen zeiden :
“Het is de Messias.”
Weer anderen wierpen op :
“Komt de Messias soms uit Galilea ?
“Heeft de Schrift niet gezegd
dat de Messias komen zal uit het geslacht van David
en uit Betlehem, het dorp waar David woonde?”
Zo ontstond er dus om Hem verdeeldheid onder het volk.
Sommigen hunner wilden Hem gevangennemen,
maar niemand sloeg de hand aan Hem.
Toen dan ook de dienaars
bij de hogepriesters en Farizeeën terugkwamen
vroegen deze hun :
“Waarom hebt gij Hem niet meegebracht ?”
De dienaars antwoordden :
“Nooit heeft iemand zo gesproken als die man.”
Waarop de Farizeeën zeiden :
“Hebt gij u soms ook laten bedriegen ?
“Heeft dan een van de overheden
of van de Farizeeën in Hem geloofd?
“Dat volk, ja,
dat de Wet niet kent,
vervloekt zijn ze!”
Maar een uit hun kring, Nikodémus
die vroeger bij Jezus gekomen was merkte op :
“Veroordeelt onze Wet iemand
zonder hem eerst te verhoren en te vernemen wat hij doet?”
Zij gaven hem ten antwoord :
“Zijt gij soms ook uit Galilea ?
“Zoek maar na en gij zult zien
dat de profeet niet uit Galilea opstaat.”
Toen ging ieder naar huis.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, ©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.