Vrijdag in de paasweek

Overweging
De evangelist Johannes schrijft vanuit de specifieke situatie waarin hij en de eerste christenen zich bevinden. Zijn verhalen zijn gevuld met symboliek; Johannes wil vandaag vertellen dat wat er op het meer van Tiberias gebeurde, zich ook elke dag opnieuw in de jonge christelijke gemeenschap voltrekt.

De boot staat in het verhaal symbool voor de jonge Kerk. De nadruk valt op de eenheid van de christenen (de éne boot, het barstensvolle net dat niet scheurt). Het valt bovendien ook op dat er in het net van de apostelen 153 vissen zitten. 153 was in de antieke wereld het totale aantal vissoorten dat gekend was. De wonderbaarlijke visvangst verhaalt dus over de universaliteit van de zending: alle volkeren worden uitgenodigd tot geloof te komen. In de eerste Kerk kwamen de meest diverse mensen “in de netten” van de apostelen terecht: zowel joden als Romeinen, zowel Grieken als Syriërs, Alexandrijnen en Perzen. Zij zagen het geloof van de apostelen, en dat overtuigde hen. Is aan ons te zien dat wij christenen zijn ? Waaraan ?

EERSTE LEZING                                                             Hand. 4, 1-12
Bij niemand anders is redding te vinden.

Uit de handelingen van de Apostelen

In die dagen, toen Petrus en Johannes
na de genezing van de lamme tot het volk spraken
kwamen de priesters,
de bevelhebber van de tempel en de Sadduceeën op hen af.
Verontwaardigd dat zij het volk onderricht gaven
en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden,
legden ze de hand op hen en namen hen in verzekerde bewaring
tot de volgende dag : omdat het al avond was.
Velen echter van hen die de toespraak gehoord hadden
namen het geloof aan,
en het aantal mannen steeg tot ongeveer vijfduizend.
De volgende dag kwamen hun overheden,
oudsten en Schriftgeleerden in Jeruzalem bijeen
te zamen met de hogepriester Annas,
met Kajafas, Johannes, Alexander
en allen die tot het hogepriesterlijk geslacht behoorden.
Zij lieten hen voorleiden en vroegen :
“Door welke kracht of in welke naam hebt ge dat gedaan ?”
Toen sprak Petrus, vervuld van de heilige Geest, tot hen :
“Overheden van het volk en oudsten !
“Indien wij vandaag ter verantwoording geroepen worden
voor een weldaad aan een gebrekkige bewezen
waardoor deze genezen is,
dan zij het u allen en het gehele volk van Israël bekend
dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër
die gij gekruisigd hebt
maar die God uit de doden heeft doen opstaan,
– dat door die Naam deze man hier gezond voor u staat.
“Hij is de steen
die door u, de bouwlieden niets waard werd geacht
en toch tot hoeksteen geworden is.
Bij niemand anders is dan ook de redding te vinden
en geen andere Naam onder de hemel
is aan de mensen gegeven
waarin wij gered moeten worden.”

TUSSENZANG                                     Ps. 118(117), 1-2, 4, 22-24, 25-27a

De steen de de bouwers hebben versmaad,
die is tot hoeksteen geworden.

Brengt dank aan de Heer, want Hij is genadig,
eindeloos is zijn erbarmen !
Herhaalt het, stammen van Israël :
eindeloos is zijn erbarmen !
Herhaalt het, dienaren van de Heer :
eindeloos is zijn erbarmen !

De steen die de bouwers hebben versmaad,
die is tot hoeksteen geworden.
Het is de Heer, die dit heeft gedaan,
een wonder voor onze ogen.
Dit is de dag, die de Heer heeft gemaakt,
wij zullen hem vieren in blijdschap.

Ach Heer, geef Gij ons uw heil,
ach Heer, geef Gij ons voorspoed !
Gezegend die komt met de Naam van de Heer ;
de Heer is God, Hij verlicht ons.

ALLELUIA                                                             Ps. 118(117), 24

Alleluia.
Dit is de dag, die de Heer heeft gemaakt,
wij zullen hem vieren in blijdschap.
Alleluia.

Sequentie                                                          (vert. J.W. Schulte Nordholt)

Laat ons ’t Lam van Pasen loven,
’t Lam Gods met offers eren.
Ja het Lam redt de schapen,
Christus brengt door zijn onschuld
ons arme zondaren tot de Vader.
Dood en leven, o wonder,
moeten strijden tesamen.
Die stierf, Hij leeft, Hij is onze Koning.
Zeg het ons, Maria,
wat is ’t dat gij gezien hebt ?
Het graf van Christus dat leeg was,
de glorie van Hem die opgestaan is,
eng’len als getuigen,
de zweetdoek en het doodskleed.
Mijn hoop, mijn Christus in leven !
Zie Hij gaat u voor naar Galilea.
Waarlijk Christus is verrezen : stond op uit de doden.
O Koning, onze Held, geef ons vrede. Alleluia.

EVANGELIE                                                          Joh. 21, 1-14
Jezus trad dichterbij, nam het brood en gaf het hun, en zo ook de vis.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

In die tijd verscheen Jezus opnieuw aan de leerlingen
bij het meer van Tiberias.
De verschijning verliep als volgt :
Er waren bijeen :
Simon Petrus, Tomas die ook Didymus genoemd wordt,
Natanaël uit Kana in Galilea,
de zonen van Zebedeus en nog twee van zijn leerlingen.
Simon Petrus zei tot hen :
“Ik ga vissen.”
Zij antwoordden :
“Dan gaan wij mee.”
Zij gingen dus op weg en klommen in de boot
maar ze vingen die nacht niets.
Toen het reeds morgen begon te worden
stond Jezus aan het strand,
maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was.
Jezus sprak hen aan :
“Vrienden, hebben jullie soms wat vis ?”
“Neen,”
zeiden ze.
Toen beval Hij hun :
“Werpt het net uit, rechts van de boot,
daar zult ge iets vangen.”
Nadat ze dit gedaan hadden,
waren ze niet meer bij machte het net op te halen
vanwege de grote hoeveelheid vissen.
Daarop zei de leerling van wie Jezus veel hield tot Petrus :
“Het is de heer !
Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was
trok hij zijn bovenkleed aan
– want hij droeg slechts een onderkleed –
en sprong in het meer.
De andere leerlingen kwamen met de boot,
want zij waren niet ver uit de kust,
slechts ongeveer tweehonderd el,
en sleepten het net met de vissen achter zich aan.
Toen zij aan land waren gestapt
zagen zij dat er een houtskoolvuur was aangelegd
met vis er op en brood.
Jezus sprak tot hen :
“Haalt wat van de vis die gij juist gevangen hebt.”
Simon Petrus ging weer aan boord en sleepte het net aan land.
Het was vol grote vissen, honderddrieënvijftig stuks
en ofschoon het er zoveel waren scheurde het net niet.
Jezus zei hun :
“Komt ontbijten.”
Wetend dat het de Heer was
durfde geen van de leerlingen Hem vragen :
“Wie zijt Gij ?”
Jezus trad dichterbij,
nam het brood en gaf het hun,
en zo ook de vis.
Dit nu was de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen
sinds Hij uit de doden was opgestaan.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

 

 

Gepubliceerd door leopardoel

I am an 89-years old retired Johnson & Johnson researcher, who wants to spend the rest of his years to the spreading of the gospel in a daily blog.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: