http://kerkengeloof.wordpress.com
 

Palmzondag is de laatste dag van de vastenperiode en de eerste dag van de Goede Week

Uitnodiging

Mag ik hiermee Uw aandacht vragen voor het dagelijks lezen van het Evangelie?

Deze uitnodiging wil U deelgenoot maken aan de vreugde van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd, kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen voor de genezende werking van Gods woord.

Elke dag ter beschikking

Openingswoord Wij staan aan het begin van de Goede Week. We hebben ons in deze veertigdagentijd ingespannen om in de voetsporen van de Heer te gaan door Hem en onze naaste van harte lief te hebben. Jezus’ liefhebbende omgang met mensen is evenwel bij velen op afwijzing gebotst, ja, heeft Hem de dood gebracht. Wordt dat ook ons deel als we ons gelovig aan Hem toevertrouwen? Met Jezus’ opstanding uit de doden biedt God de Vader op Pasen uitkomst. EERSTE LEZING                  Jes. 50,4-7  Mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie Mij smaadden maar ik weet dat ik niet te schande zal worden. Uit de profeet Jesaja God de Heer heeft mij de gave van het woord geschonken: Ik versta het de ontmoedigden moed in te spreken. Elke morgen spreekt Hij zijn woord, elke morgen richt Hij het woord tot mij en ik luister met volle overgave. God de Heer heeft tot mij gesproken en ik heb mij niet verzet, ik ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten, en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en mij bespuwden. God de Heer zal mij helpen: Daarom zal ik niet beschaamd staan en zal ik geen spier vertrekken. Ja, ik weet dat ik niet te schande zal worden. Antwoordpsalm                 Ps. 22(21), 8-9, 17-18a, 19-20, 23-24 Keervers Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij? Ze lachen met mij, allen die mij zien, ze grijnzen en ze schudden met het hoofd. “Hij steunt toch op de Heer? Laat die hem redden en hem bevrijden, als Hij hem bemint”. Een meute honden jaagt mij op, een bende booswichten houdt mij omsingeld. Mijn handen en mijn voeten hebben zij doorboord, mijn beenderen kan ik wel tellen. Nu delen zij mijn kleren onderling en dobbelen om mijn gewaad. Ach, Heer, houd U niet ver van mij, mijn steun, kom haastig om mij bij te staan. Uw Naam zal ik verheerlijken onder mijn broeders, uw lof verkondigen voor heel het volk. Gij, dienaars van de Heer, verheerlijkt Hem, heel het geslacht van Jakob, brengt Hem hulde. TWEEDE LEZING                Fil. 2, 6-11 Christus heeft zich vernederd, daarom heeft God Hem hoog verheven. Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi Broeders en zusters, Hij die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen, heeft Hij zich vernederd, door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van zijn Naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer. Vers voor het evangelie              Fil. 2, 8-9 Lof en eer zij U, Heer Jezus. Christus is voor ons gehoorzaam geworden tot de dood, tot de dood aan een kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Lof en eer zij U, Heer Jezus EVANGELIE                 Lc. 22, 14-23,56 Het lijden van onze Heer Jezus Christus. Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas Toen de tijd aangebroken was, ging Jezus met de apostelen aan tafel aanliggen. Hij sprak tot hen: “Vurig heb Ik ernaar verlangd dit paasmaal met u te eten eer Ik ga lijden. “Want Ik zeg u: Ik zal het niet meer eten totdat het zijn vervulling vindt in het Rijk Gods.” Daarop nam Hij een beker, sprak een dankgebed uit en zei: “Neemt die beker en deelt hem samen. “Want Ik zeg u: Van dit ogenblik af drink Ik niet meer van wat de wijnstok voortbrengt, totdat het Rijk Gods is gekomen.” Daarop nam Hij het brood en sprak een dankgebed uit; Hij brak het en gaf het hun, met de woorden: “Dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt. “Doet dit tot een gedachtenis aan Mij.” Evenzo gaf Hij hun de beker, na de maaltijd, terwijl Hij sprak: “Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, dat voor u wordt vergoten. “Maar zie, degene door wiens hand Ik zal worden overgeleverd, is met Mij aan tafel. “Want de Mensenzoon gaat heen zoals het is vastgesteld; maar toch, wee die mens door wie Hij wordt overgeleverd.” Nu begonnen zij onder elkaar te vragen wie van hen het toch was, die dat zou doen. Er ontstond twist onder hen over de vraag wie van hen wel de voornaamste mocht zijn. Maar Jezus sprak tot hen: “De koningen van de volkeren oefenen heerschappij over hen uit en hun machthebbers laten zich weldoeners noemen. “Zo moet gij niet doen; maar wij onder u de voornaamste is, moet als de jongste wezen; en wie bevelen geeft, moet zijn als iemand die dient. “Wie is immers de grootste: Hij die aanligt of hij die bedient? “Is het niet hij die aanligt? “Welnu, Ik ben onder u als degene die bedient. “Gij zijt het die trouw zijt gebleven in mijn beproevingen. “En zoals mijn Vader Mij het Koningschap heeft verleend, zo verleen Ik u een plaats in mijn Koninkrijk; ge zult eten en drinken aan mijn tafel en ge zult op tronen gezeten zijn om te heersen over de twaalf stammen van Israël. “Simon, Simon, weet dat de satan heeft geëist u allen te ziften als tarwe. “Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken. “Wanneer ge eenmaal tot inkeer gekomen zijt, versterk dan op uw beurt uw broeders.” Maar hij antwoordde: “Heer, ik ben bereid met U zelfs gevangenis en dood in te gaan!” Daarop sprak Jezus: “Ik zeg u, Petrus: de haan zal vandaag niet kraaien voordat ge driemaal geloochend hebt Mij te kennen.” Hij sprak tot hen: “Toen ik je wegstuurde zonder beurs, tas of schoeisel, ontbrak het jullie toen aan iets?” Zij antwoordden: “Aan niets” Hij vervolgde: “Maar nu moet hij die een beurs heeft, die meenemen en ook een tas; en wie er geen heeft moet zijn mantel verkopen en zich een zwaard aanschaffen. “Ik zeg u, in Mij moet deze Schrift vervuld worden: Hij wordt gerekend onder de goddelozen. “Wat was verordend over mij, zal nu in vervulling gaan.” Zij zeiden tot Hem: “Zie Heer, hier zijn twee zwaarden.” Hij antwoordde: “Het is genoeg.” Hij ging nu naar buiten en ging naar de Olijfberg volgens Zijn gewoonte. Ook de discipelen gingen met Hem mee. Ter plaatse aangekomen sprak Hij tot hen: “Bidt, dat gij niet in verzoeking komt.” Hij verwijderde Zich van hen en ging verder op ongeveer een steenworp afstand; daar wierp Hij Zich op Zijn knieën en bad: “Vader, indien Gij wilt, laat deze beker aan Mij voorbijgaan. “Doch niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.” Nu verscheen Hem een engel uit de hemel om Hem te sterken. Ten prooi aan de angst voor de dood, bad Hij met nog meer aandrang. Zijn zweet veranderde in dikke druppels bloed die op de grond vielen. Toen stond Hij op uit zijn gebed en ging naar zijn discipelen, maar Hij vond van droefheid in slaap. Hij zei tot hen: “Hoe kunt gij slapen? “Sta op en bidt dat gij niet in verzoeking komt.” Hij had nog niet gesproken Of er kwam een troep, voorafgegaan door Judas, een van de twaalf. Deze ging naar Jezus toe om Hem te kussen. Maar Jezus zei tot hem: “Judas, verraadt gij de Zoon des mensen met een kus?” Toen zij, die rondom Hem stonden bemerkten wat er stond te gebeuren, vroegen zij: “Heer, zullen wij hem met het zwaard treffen?” En een van hen sloeg de dienaar van de hogepriester en sneed zijn rechteroor af. Maar Jezus kwam tussenbeide en zei: “Laat het hierbij.” En Hij raakte het oor aan en genas hem. Nu sprak Jezus tot de hogepriesters, tot de aanvoerders van de tempelwacht en tot de oudsten die tot Hem waren gekomen: “Als tegen een rover bent u uitgezonden met zwaarden en knuppels. “Elke dag was ik met u in de tempel en gij hebt Mij niet aangeraakt. “Maar dit is uw uur en uw macht is die van de duisternis.” Nu grepen zij Hem en droegen Hem weg en zij brachten Hem in het huis van de hogepriester, terwijl Petrus hem op een afstand volgde. Op de binnenplaats maakten zij een vuur en gingen samen zitten. Petrus zat tussen hen in. Toen een dienstmeisje hem zag zitten bij het licht van het vuur en hem scherp bekeek, zei ze: “Die was ook bij Hem.” Maar hij ontkende het, zeggende: “Vrouw, ik ken hem niet.” Even later zag iemand anders hem en zei: “U bent ook een van hen.” Maar Petrus antwoordde: “Man, dat is niet waar.” Na het verstrijken van ongeveer een uur verklaarde een ander met stelligheid: “Waarachtig, die man behoorde ook tot Hem: Want hij is ook een Galileeër.” Petrus antwoordde: “Man, ik weet niet wat je bedoelt.” Hij had het nog niet gezegd of onmiddellijk kraaide er een haan. Toen draaide de Heer zich om en Hij keek Petrus aan; het kwam in Petrus’ gedachten op hoe de Heer tegen hem had gezegd: “Voordat er vandaag een haan kraait zul je Mij drie keer verloochenen.” En hij ging naar buiten en begon bitter te wenen. De mannen die Jezus bewaakten, bespotten en sloegen Hem. Ze gooiden een doek over Zijn hoofd en vroegen Hem: “Wees nu een profeet. “Wie is het, die u geslagen heeft?” Vele andere beschimpingen voegden zij aan Hem toe. Toen de dag gekomen was, kwam de raad van oudsten van het volk bijeen, hogepriesters en schriftgeleerden, en zij lieten Hem voor hun rechtbank brengen. Zij zeiden: “Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons.” Maar Hij sprak tot hen: “Als ik het u vertel, zult gij het niet geloven; en als ik u vragen stel, zult gij niet antwoorden. “Maar van nu af aan zal de Zoon des mensen zitten aan de rechterhand van de macht van God.” Toen vroegen zij allen: “Zijt Gij dan de Zoon van God? Hij antwoordde hun: “Gij hebt het gezegd: dat ben ik.” Zij riepen uit: “Waar hebben wij een ander getuigenis voor nodig? Wij hebben het toch zelf uit Zijn mond gehoord.” Toen stond de hele vergadering op En zij brachten Hem voor Pilatus. Daar begonnen zij Hem te beschuldigen, zeggende: “Wij hebben vastgesteld dat deze man ons volk aanzet tot rebellie, dat hij hen weerhoudt van het betalen van belastingen aan de keizer en dat hij zich voordoet als de Messias, de Koning.” Pilatus vroeg Hem: “Zijt Gij de Koning der Joden?” Hij antwoordde Hem: “Gij zegt het.” Pilatus zei nu tegen de hogepriesters en de menigte van mensen: “Ik kan in deze man geen schuld ontdekken.” Maar zij hielden vol en riepen uit: “Door zijn prediking in het gehele Joodse land , die Hij begon in Galilea en die hij tot hier heeft voortgezet, zaait hij onrust onder het volk.” Toen Pilatus dit hoorde, vroeg hij of de man een Galileeër was. Zodra hij vernam dat Jezus inderdaad uit Herodes’ machtsgebied kwam, stuurde hij Hem naar Herodes, die op dat moment ook in Jeruzalem was. Herodes uitte grote vreugde toen hij Jezus te zien kreeg. De verhalen over Jezus hadden hem al heel lang naar Jezus doen verlangen en hij hoopte Hem een of ander wonder te zien verrichten. Hij stelde Hem allerlei vragen, maar Jezus antwoordde helemaal niet. De hogepriesters en schriftgeleerden stonden erbij en maakten beschuldigingen tegen Hem. Samen met zijn soldaten, hoonde en bespotte Herodes Hem. Hij trok Hem een prachtig gewaad aan en stuurde Hem terug naar Pilatus. Op dezelfde dag werden Herodes en Pilatus vrienden; voordien hadden zij vijandschap tegen elkaar gekoesterd. Toen ontbood Pilatus de hogepriesters, de ambtenaren en het volk bij elkaar en hij zei tegen hen: “U hebt deze man voor mij gebracht als iemand die het volk aanzet tot rebellie; welnu, ik heb hem in uw aanwezigheid gehoord. Maar ik heb in deze man niets kunnen ontdekken van alles waarvan jullie hem beschuldigen. “Herodes evenmin want hij heeft hem naar ons teruggestuurd. “Het is duidelijk dat hij niets heeft gedaan dat de doodstraf zou rechtvaardigen. “Daarom zal ik hem een tuchtiging laten ondergaan en hem dan vrijlaten.” Ze begonnen allemaal tegelijk te schreeuwen: “Weg met hem! Laat ons Barabbas vrijlaten!” Deze Barabbas was in de gevangenis gegooid vanwege een oproer in de stad en voor moord. Opnieuw sprak Pilatus hen toe omdat hij Jezus wilde vrijlaten. Maar zij riepen daartegen in: “Kruisig Hem, kruisig Hem!” Voor de derde keer vroeg Pilatus hen: “Wat voor kwaad heeft deze man dan gedaan? “Ik heb niets in hem gevonden, dat de doodstraf rechtvaardigt. “Daarom zal ik hem laten tuchtigen en hem dan vrijlaten.” Luid schreeuwend bleven zij zijn kruisiging eisen en hun geschreeuw was beslissend. Pilatus besloot dat wat zij eisten zou gebeuren: Hij liet de man vrij die zij eisten, hoewel hij gevangen zat voor oproer en moord, maar hij leverde Jezus uit in hun handen. Toen zij Hem wegvoerden, arresteerden zij een man, Simon genaamd, een man van Cyrene, die van het veld gekomen was; en zij belastten hem met het kruis om het achter Jezus aan te dragen. Een grote menigte mensen volgde Hem, waaronder vrouwen die zich op de borst sloegen en klaagden over Hem. Jezus wendde zich tot hen en sprak: “Dochters van Jeruzalem, ween niet over Mij. maar weent over uzelf en over uw kinderen. “Weet, dat er een tijd zal komen, dat de mensen zullen zeggen: Gelukkig de onvruchtbare, wiens schoot niet heeft gebaard en wiens borst geen kind heeft gevoed. “Dan zal er gezegd worden tot de bergen: Val op ons, en tegen de heuvels: Bedek ons. “Want als men dat doet met het groene hout, wat zal er dan gedaan worden met het droge hout?” Twee anderen werden weggevoerd, twee misdadigers, om samen met hem ter dood gebracht te worden. Toen zij op de plaats kwamen die Schedel genoemd werd, sloegen ze Hem daar aan het kruis, en zo ook de misdadigers, de ene aan de rechterkant, de andere aan de linkerkant. En Jezus zei: “Vader, vergeef het hun want zij weten niet wat zij doen.” Zij verdeelden zijn kleren onder elkaar, door er om te dobbelen. Het volk stond erbij en keek ernaar maar de regeringsambtenaren lachten Hem uit en zeiden: “Anderen heeft Hij gered; laat hem zichzelf redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!” De soldaten brachten Hem zure wijn, en ook zij voegden spottend aan Hem toe: “Als Gij de Koning van de Joden zijt, red Uzelf.” Boven Hem was gegraveerd in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters: “Dit is de Koning van de Joden.” Een van de misdadigers die daar hingen hoonde Hem ook: “Zijt Gij niet de Messias ? “Redt dan Uzelf en ons.” Maar de ander bestrafte Hem en zei: “Hebt zelfs gij geen vrees voor God terwijl gij toch hetzelfde vonnis ondergaat? “En wij ondergaan terecht dat vonnis , want wij ontvangen wat wij door onze daden hebben verdiend; Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.” Daarop zei hij: “Jezus! denk aan mij wanneer Gij in Uw Koninkrijk zijt gekomen.” En Jezus sprak tot hem: “Voorwaar, Ik zeg u: heden nog zult gij met Mij in het paradijs zijn.” Het was nu ongeveer het zesde uur; duisternis viel over de gehele regio tot het negende uur omdat de zon geen licht meer gaf. Het voorhangsel van den tempel was in twee gescheurd. Toen riep Jezus met luide stem uit: “Vader, in uw handen beveel ik mijn geest.” Nadat Hij dit gezegd had, gaf Hij de geest. Toen hij zag wat er gebeurd was, prees de centurio God en zei: “Deze man was waarlijk een rechtvaardig man.” Al het volk dat voor dit spektakel bijeengekomen was kwamen terug toen ze zagen wat er gebeurd was, en zij sloegen zich op de borst. Al Zijn bekenden stonden op een afstand toe te kijken; ook de vrouwen die Hem gevolgd waren uit Galilea. Nu was er een zekere Jozef, een lid van de Hoge Raad, een welwillend en rechtvaardig man, die daarom niet had ingestemd met de plannen en de handelwijze van de Raad. Hij kwam uit de Joodse stad Arimathea en leefde in de verwachting van het Koninkrijk van God. Deze ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Nadat hij het van het kruis had gehaald, wikkelde hij het in een lijkwade. Toen legde hij Hem in een tombe die was uitgehouwen uit steen en waarin nog nooit iemand was gelegd. Het was de dag van de voorbereiding en de sabbat brak aan. De vrouwen die met Hem uit Galilea waren gekomen, volgden, en ze keken in de tombe en keken hoe Zijn lichaam werd neergelegd. Terugkerend, bereidden zij geurige kruiden en balsem maar op de sabbat namen zij de voorgeschreven rust in acht. ____________________________________________________________________________________  

Laudato Si

Encycliek van

PAUS FRANCISCUS

Over de zorg voor het gemeenschappelijke huis

128. Wij zijn vanaf onze schepping geroepen tot arbeid. Men moet niet trachten de menselijke arbeid steeds meer te vervangen door technologische vooruitgang: door zo te doen zou de mensheid zichzelf vernietigen. Arbeid is een noodzaak, is een deel van de zin van het leven op deze aarde, een weg van rijping, menselijke ontwikkeling en persoonlijke verwezenlijking. In deze zin moet het helpen van de armen met geld altijd een voorlopige remedie zijn om het hoofd te bieden aan noodsituaties. Het ware doel zou altijd moeten zijn hun door arbeid een waardig leven toe te staan. De oriëntatie van de economie heeft echter een soort technologische vooruitgang bevorderd die erop gericht is de productiekosten te reduceren door de vermindering van de arbeidsplaatsen die door machines worden vervangen. Het is nog een wijze waarop het handelen van het menselijk wezen zich tegen zichzelf kan keren. Het verminderen van arbeidsplaatsen “heeft ook een negatieve uitwerking op economisch vlak door voortgaande erosie van het ‘sociale kapitaal’, ofwel door het ondermijnen van het geheel van betrekkingen die op vertrouwen, betrouwbaarheid en het naleven van de regels gebaseerd zijn, en die onontbeerlijk zijn voor ieder samen leven van burgers”. 6 Uiteindelijk “is de menselijke prijs ook de economische prijs en eisen economische misstanden ook een menselijke prijs”. 7 Ervan afzien te investeren in mensen om meer onmiddellijke winst te bereiken is een zeer slechte zaak voor de maatschappij.
  Wordt vervolgd
De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, ©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007. Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen en de zondagen Laudato Si Officiële Nederlandse vertaling _____________________________________________________________________________
     

Geef een reactie

Ontdek meer van KERK en GELOOF/CHURCH and FAITH

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder