Uitnodiging

Mag ik hiermee Uw aandacht vragen voor
het dagelijks lezen van het Evangelie?

Deze uitnodiging wil U deelgenoot maken aan de vreugde
van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd,
kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen
voor de genezende werking van Gods woord.

Elke dag ter beschikking

Overweging
Het evangelie heeft veel gelijkenis met het evangelie over de vraag of men belasting mag betalen aan de keizer. Ook hier wil men Jezus in een impasse brengen. Moet de vrouw gestenigd worden? Zegt Hij neen, dan verzet Hij zich tegen de joodse Wet. Zegt Hij ja, dan is Hij onbarmhartig, maar komt ook in botsing met de Romeinen aan wie de terechtstelling toekomt. Jezus trekt de zaak naar een dieper niveau: Wie zonder zonde is werpe de eerste steen.

 

EERSTE LEZING                  Dan. 13, 1-9.15-17.19-30.33-62

Ofschoon ik niet gedaan heb hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen, moet ik toch sterven. 

Uit de Profeet Daniël

Lang geleden woonde er in Babel een man die Joakim heette.
Hij had een vrouw, Susanna genaamd, de dochter van Chelkia ;
zij was buitengewoon mooi en vroom.
Omdat haar ouders rechtschapen mensen waren
hadden ze hun dochter volgens de wet van Mozes opgevoed.
Joakim was zeer rijk en bezat een park, dat bij zijn huis lag ;
bij hem kwamen de Joden samen,
omdat hij de aanzienlijkste man onder hen was.
Nu waren er dat jaar twee oudsten uit het volk
tot rechters aangesteld ;
van hen gold wat de Heer gezegd heeft :
De goddeloosheid is in Babel begonnen,
bij de oudsten die rechters waren en voorgaven
het volk te besturen.
Ze waren voortdurend in het huis van Joakim,
waar ieder die rechtszaken had zich tot hen wendde.
Als het volk tegen de middag vertrokken was,
ging Susanna wandelen in het park van haar man.
De twee oudsten sloegen haar dagelijks gade,
als zij zich ging verpozen,
en een hartstochtelijke begeerte naar haar kwam in hen op.
Zij verdraaiden de stem van hun geweten,
wendden hun ogen af van de hemel en dachten niet aan de dreiging
van de rechtvaardige straffen.
Terwijl zij naar een geschikte dag uitzagen,
ging Susanna vergezeld van twee dienstmeisjes,
volgens haar gewoonte weer eens het park in.
En omdat het warm was, wilde zij er een bad nemen ;
er was immers niemand behalve de twee oudsten,
die zich hadden verscholen en haar begluurden.
Susanna zei dus tot de dienstmeisjes :
“Ga olie en balsem halen en sluit de poort van het park,
dan ga ik een bad nemen.”
Zodra de dienstmeisjes vertrokken waren,
kwamen de twee oudsten te voorschijn en liepen op haar toe
en zeiden :
“Susanna, de poort van het park is gesloten
en er is niemand die ons ziet ;
wij branden van begeerte naar je :
Wees ons daarom terwille en heb gemeenschap met ons,
anders zullen we tegen jou getuigen,
dat er een jongeman bij je was
en dat je daarom de dienstmeisjes hadt weggestuurd.”
Susanna zuchtte diep en sprak :
“Van alle kanten word ik bedreigd :
Want doe ik het, dan wacht mij de dood ;
doe ik het niet, dan zal ik uw hand niet ontkomen.
“Maar liever val ik onschuldig in uw handen
dan te zondigen tegen de Heer.”
Daarop begon Susanna luid te roepen,
maar de twee oudsten schreeuwden tegen haar in
en een van hen liep naar de poort van het park en opende die.
Toen degenen die in huis waren
het geschreeuw in het park hoorden,
kwamen ze door de zij-ingang toegesneld om te zien
wat Susanna overkomen was.
Toen de oudsten hun verhaal deden,
geraakten de bedienden in grote verlegenheid,
want nog nooit was zoiets van Susanna verteld.
Toen het volk de volgende dag
weer bij haar man Joakim samenkwam,
gingen de oudsten er toe over om hun goddeloos plan uit te voeren
en Susanna ter dood te brengen.
Voor het verzamelde volk bevalen ze :
“Laat Susanna halen, de dochter van Chelkia,
de vrouw van Joakim.”
Men liet haar halen.
Zij verscheen, vergezeld van haar ouders,
haar kinderen en al haar verwanten.
Haar verwanten en allen die haar zagen weenden.
Terwijl de twee oudsten voor het volk gingen staan
en hun handen op haar hoofd legden,
blikte Susanna schreiend op naar de hemel,
want in haar hart bleef zij vertrouwen op de Heer.
Toen verklaarden de oudsten :
“Terwijl we alleen in het park wandelden,
kwam zij met twee dienstmeisjes naar binnen,
sloot de poort en stuurde de meisjes weg.
“Daarop kwam er een jonge man naar haar toe,
die zich schuil had gehouden, en ging bij haar liggen.
“Toen we vanuit een hoek van het park het misdrijf bemerkten,
snelden we naar hen toe
en zagen dat ze met elkaar gemeenschap hadden.
“Hem konden wij niet te pakken krijgen,
omdat hij sterker was dan wij,
de poort opende en zich uit de voeten maakte ;
maar haar grepen we
en we vroegen haar, wie die jongeman was ;
maar ze wilde het ons niet zeggen. Dat getuigen wij.”
De vergadering geloofde hen,
gezien zij oudsten van het volk waren en rechters,
en veroordeelde Susanna ter dood.

Nadat Susanna ter dood veroordeeld was
riep zij met luide stem :
“Eeuwige God, die het verborgene kent
en alles reeds weet, voordat het gebeurt,
Gij weet dat deze oudsten
een vals getuigenis tegen mij hebben afgelegd ;
en ofschoon ik het niet gedaan heb
hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen,
moet ik toch sterven.”
De Heer verhoorde haar gebed.
Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden,
gaf God een jongeman, Daniël geheten, een heilig besluit in.
Deze jongeman riep met luide stem :
“Ik ben onschuldig aan haar bloed!”
Waarop het volk zich naar hem toekeerde en vroeg :
“Wat bedoel je daarmee?”
Hij ging in hun midden staan en zei :
“Zijn jullie niet goed wijs, zonen van Israël ?

“Veroordelen jullie een dochter van Israël
zonder nader onderzoek en kennis van zaken ?
“Ga terug naar de rechtszaal, want dezen hier
hebben een vals getuigenis tegen haar afgelegd.”
Daarop ging al het volk haastig naar de rechtszaal terug.
Daar zeiden de oudsten tot Daniël :
“Neem plaats in ons midden en deel ons je bedoelingen mee,
want God heeft je het gezag van de ouderdom verleend.”
Toen zei Daniël tot hen :
“Zonder ze van elkaar af,
dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.”
Ze werden dus van elkaar gescheiden.
Daniël riep vervolgens een van de twee oudsten bij zich en zei :
“Je bent in boosheid vergrijsd,
maar nu krijg je de straf voor al de zonden die je bedreven hebt
door onrechtvaardige vonnissen te vellen :
Onschuldigen heb je veroordeeld en schuldigen vrijgesproken
in strijd met het gebod van de Heer :
Breng iemand die onschuldig is en in zijn recht staat,
niet ter dood.
“Welnu, als je haar op heterdaad betrapt hebt,
zeg dan onder wat voor een boom heb je ze samen gezien ?”
Hij antwoordde : “Onder een mastiekboom.”
Daniël hernam : “Die prachtige leugen kost je je kop !
“Want Gods engel heeft van God al bevel gekregen
je in tweeën te splijten.”
Nadat Daniël deze had laten wegleiden,
liet hij de ander voorkomen en zei tot hem :
“Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda !
De schoonheid heeft je verleid
en de hartstocht heeft je hoofd op hol gebracht.
“Zo handelen jullie met de dochters van Israël
en uit vrees waren die jullie ter wille,
maar een dochter van Juda
heeft zich niet willen schikken naar jullie boosheid.
“Welnu : Onder wat voor een boom
heb je ze betrapt?”
Hij antwoordde : “Onder een steeneik.”
Daniël hernam :
“Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld !
“Want Gods engel staat reeds klaar
om je met het zwaard doormidden te houwen
en jullie beiden te verdelgen.”
Hierop barste heel de vergadering los in luid gejuich
en men loofde God, die redt wie op Hem vertrouwt.
En nu Daniël met hun eigen woorden bewezen had
dat de twee oudsten een vals getuigenis hadden afgelegd,
keerde het volk zich tegen hen
en overeenkomstig de wet van Mozes
voltrokken ze aan de oudsten de straf
die zij in hun boosheid hun naaste hadden beraamd :
Ze werden ter dood gebracht.
Zo werd die dag een onschuldige van de dood gered.

TUSSENZANG                Ps. (23), 22 1-3a, 3b-4, 5, 6

Al voert mijn weg door donkere kloven,
ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt.

De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort ;
Hij laat mij weiden op groene velden.
Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten,
Hij geeft mij weer frisse moed.

Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden
omwille van zijn Naam.
Al voert mijn weg door donkere kloven,
ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt.
Uw stok en uw herderstaf
geven mij moed en vertrouwen.

Gij nodigt mij aan uw tafel
tot ergernis van mijn bestrijders.
Met olie zalft Gij mijn hoofd,
mijn beker is overvol.

Voorspoed en zegen verlaten mij nooit
elke dag van mijn leven.
Het huis van de Heer zal mijn woning zijn
voor alle komende tijden.

 

VERS VOOR HET EVANGELIE        Ez. 33, 11

Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze,
zegt de Heer,
maar veeleer daarin, dat hij zich bekeert en leeft.

 

EVANGELIE                    Joh. 8, 12-20
Ik ben het licht der wereld.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

In die tijd richtte Jezus het woord tot de Farizeeën en sprak :
“Ik ben het licht der wereld.
“Wie Mij volgt
dwaalt niet rond in duisternis,
maar zal het licht des levens bezitten.”
De Farizeeën wierpen Hem tegen :
“Gij getuigt over Uzelf ;
uw getuigenis heeft geen waarde.”
Jezus antwoordde hun :
“Ook al getuig Ik over Mijzelf
toch heeft mijn getuigenis waarde,
omdat Ik weet vanwaar Ik gekomen ben
en waarheen Ik ga.
“Gij echter weet niet vanwaar Ik kom
of waarheen Ik ga.
“Gij oordeelt naar het aardse,
Ik oordeel niemand.
“En zelfs als Ik zou oordelen
dan is mijn oordeel toch rechtsgeldig,
omdat Ik niet alleen ben
maar de Vader die Mij gezonden heeft met Mij is.
“Ook in uw Wet staat geschreven
dat het getuigenis van twee mensen geldig is.
“Ik ben het die getuig over Mijzelf,
en ook de Vader die Mij gezonden heeft getuigt over Mij.”
Zij vroegen Hem dan :
“Waar is uw Vader?”
Jezus antwoordde :
“Gij kent Mij evenmin als gij mijn Vader kent;
zoudt gij Mij kennen
dan zoudt gij ook mijn Vader kennen.”

Deze woorden sprak Hij bij de schatkamer,
toen Hij onderricht gaf in de tempel.
En niemand greep Hem,
want zijn uur was nog niet gekomen.


Fratelli tutti

Encycliek van

PAUS FRANCISCUS

Over broederschap en sociale vriendschap

De legitieme strijd en de vergeving
241. Het gaat er niet om vergeving aan te bieden door af te zien van
eigen rechten tegenover een corrupte machthebber, een crimineel of
iemand die onze waardigheid aantast. Wij zijn geroepen allen zonder
uitzondering lief te hebben, maar een onderdrukker liefhebben betekent
niet ermee instemmen dat hij zo blijft; en evenmin hem laten denken dat
wat hij doet, acceptabel is. Integendeel, de goede manier om hem lief te
hebben is op verschillende manieren proberen om hem te laten ophouden
met onderdrukken, is hem de macht te ontnemen die hij niet weet te
gebruiken en hem als mens misvormt. Vergeven betekent niet toelaten dat
hij zijn eigen waardigheid en die van anderen met voeten blijft treden, of
toelaten dat een crimineel misdaden blijft begaan. Wie onrecht lijdt, moet
zijn rechten en die van zijn familie krachtig verdedigen, juist omdat hij de
waardigheid die hem is gegeven, moet bewaren, een waardigheid die God
liefheeft. Als een misdadiger mij of een van mijn dierbaren onrecht heeft
gedaan, verbiedt niets mij om gerechtigheid te eisen en ervoor te zorgen
dat die persoon – of wie dan ook – mij niet opnieuw schade toebrengt of
hetzelfde doet tegen anderen. Het komt mij toe dit te doen en vergeving
maakt deze noodzaak niet alleen niet ongedaan, maar vereist haar ook.

Wordt vervolgd

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling,
©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.

Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen en de zondagen
Fratelli tutti Officiële Nederlandse vertaling

______________________________________________________________________