http://kerkengeloof.wordpress.com

Dinsdag vijfde week in de veertigdagentijd

Overweging

‘Hij die mij gezonden heeft is met mij: Hij heeft mij niet alleen gelaten omdat ik altijd doe wat Hem behaagt.’ Alleen al mediteren over deze woorden, ze herhalen in ons hart, maakt van ons gelukkige mensen. Dank zij Jezus, door Hem en in Hem, kunnen wij eenzelfde innige band met God aangaan. Voelen we ons in de steek gelaten, alleen ? God zal ons niet alleen laten. Datgene doen wat de Heer behaagt ? Dat is het perfecte antwoord op zijn liefde. Zo worden wij mensen die steeds meer gelijken op diegenen om wie het God in den beginne te doen was: mensen naar zijn beeld en gelijkenis.

EERSTE LEZING                                                 Num. 21, 4-9
Iedereen die gebeten is en opziet naar de bronzen slang, zal in leven blijven.

Uit het Boek Numeri

In die tijd trokken de Hebreeën van de berg Hor
in de richting van de Rietzee,
want zij wilden om Edom heentrekken.
Maar onderweg werd het volk ongeduldig.
Het keerde zich tegen God en tegen Mozes.
“Hebt gij ons uit Egypte gevoerd om te sterven in de woestijn ?
“Er is geen brood, er is geen water
en dat minderwaardige eten staat ons tegen.”
Toen zond de Heer giftige slangen op het volk af.
Deze beten de Israëlieten en velen van hen vonden de dood.
Nu kwam het volk naar Mozes en zei :
“Wij hebben gezondigd,
want wij hebben ons tegen de Heer en tegen u gekeerd.
“Bid de Heer, dat hij die slangen van ons wegneemt.”
Toen bad Mozes voor het volk
en de Heer zei tot hem :
“Maak zo’n giftige slang en zet die op een paal.
“Iedereen die gebeten is en er naar opziet,
zal in leven blijven.”
Mozes maakte een bronzen slang
en zette die op een paal.
Ieder die door een slang was gebeten
en zijn ogen op de bronzen slang richtte,
bleef in leven.

TUSSENZANG                                      Ps. 102(101), 2-3, 16-18, 19-21

Heer, verhoor mijn gebed,
laat mijn geroep U bereiken.

Heer, verhoor mijn gebed,
laat mijn geroep U bereiken.
Verberg uw gelaat niet voor mij
wanneer de zorgen mij drukken.
Schenk mij uw aandacht, Heer,
verhoor mij zodra ik U aanroep.

De heidenen zullen uw Naam weer duchten,
de vorsten der aarde uw heerlijkheid, Heer ;
wanneer Gij de muren van Sion herbouwt,
wanneer Gij daar weerkeert in volle luister;
wanneer Gij de stem der geplunderden hoort,
hun smeekbeden niet naast U neerlegt.

Stelt dit dan op schrift voor het komend geslacht
en laat onze zonen de Heer ervoor danken.
De Heer ziet omlaag van zijn heilige hoogte,
Hij ziet uit de hemel op aarde neer.
Hij zal het geschrei der gevangenen horen,
verlossen die aan de dood zijn gewijd.

VERS VOOR HET EVANGELIE                   Ps. 130(129), 5 en 7

Op de Heer stel ik mijn hoop,
op zijn woord vertrouw ik ;
want de Heer is steeds barmhartig,
zijn genade onbeperkt.

EVANGELIE                                                              Joh. 8, 21-30
Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, zult gij inzien dat Ik ben.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

In die tijd sprak Jezus tot de Farizeeën :
“Ik ga heen
en gij zult Mij zoeken,
maar in uw zonden zult ge sterven.
“Waar Ik heenga kunt gij niet komen.”
De Joden zeiden daarop :
“Hij zal toch geen zelfmoord plegen
dat Hij zegt :
Waar Ik heenga kunt gij niet komen ?”
Maar Hij hernam :
“Gij zijt van beneden,
Ik ben van boven.
“Gij zijt van de wereld,
Ik ben niet van deze wereld.
“Daarom zei Ik u
dat gij in uw zonden zult sterven,
want als gij niet gelooft dat Ik ben,
zult gij in uw zonden sterven.”
Zij vroegen Hem toen :
“Wie zijt Gij dan ?”
Jezus antwoordde :
“Waarom zou Ik eigenlijk daar nog met u over spreken ?
“Veel zou Ik over u kunnen zeggen tot uw veroordeling.
“Maar Hij die Mij gezonden heeft is waarachtig,
en wat Ik van Hem heb gehoord
dat zeg Ik tot de wereld.”
Zij begrepen niet dat Hij hun van de Vader sprak.
Daarop zei Jezus:
“Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven,
dan zult gij inzien dat Ik ben
en dat Ik uit Mijzelf niets doe,
maar dit alles zeg
zoals de Vader het Mij heeft geleerd.
“En Hij die Mij gezonden heeft
is met Mij ;
Hij heeft Mij niet alleen gelaten
omdat Ik altijd doe wat Hem behaagt.”
Toen Hij aldus sprak
gingen er velen in Hem geloven.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Maandag vijfde week veertigdagentijd H. Johannes Batista de la Salle, pr.

Overweging
We krijgen vandaag de lezingen die eertijds op de zaterdag in de derde vastenweek werden voorzien: Suzanna en de overspelige vrouw. De lezingen lopen meer parallel dan men zou denken. Tweemaal vinden we een beschuldigde van overspel. Tweemaal treffen we hypocriete rechters. Tweemaal is er een verlossende redder voor de vrouw.

Jezus neemt de zonde niet licht op. Maar Hij is barmhartig voor de zondaars, klaagt vooral de hypocriete rechters aan, zoals Daniël dat deed. Wij moeten opletten met dit verhaal dat ons leert niet te oordelen. Al te gemakkelijk vereenzelvigen wij ons met de zondige vrouw die genade krijgt, net zoals wij naar vergiffenis verlangen. Zijn we soms ook niet de aanklagers ?

EERSTE LEZING                 Dan. 13, 1-9.15-17.19-30.33-62 of 13, 41c-62
Ofschoon ik niet gedaan heb hetgeen ze mij boosaardig ten laste
leggen, moet ik toch sterven.

Uit de Profeet Daniël

Lang geleden woonde er in Babel een man die Joakim heette.
Hij had een vrouw, Susanna genaamd, de dochter van Chelkia ;
zij was buitengewoon mooi en vroom.
Omdat haar ouders rechtschapen mensen waren
hadden ze hun dochter volgens de wet van Mozes opgevoed.
Joakim was zeer rijk en bezat een park, dat bij zijn huis lag ;
bij hem kwamen de Joden samen,
omdat hij de aanzienlijkste man onder hen was.
Nu waren er dat jaar twee oudsten uit het volk
tot rechters aangesteld ;
van hen gold wat de Heer gezegd heeft :
De goddeloosheid is in Babel begonnen,
bij de oudsten die rechters waren en voorgaven
het volk te besturen.
Ze waren voortdurend in het huis van Joakim,
waar ieder die rechtszaken had zich tot hen wendde.
Als het volk tegen de middag vertrokken was,
ging Susanna wandelen in het park van haar man.
De twee oudsten sloegen haar dagelijks gade,
als zij zich ging verpozen,
en een hartstochtelijke begeerte naar haar kwam in hen op.
Zij verdraaiden de stem van hun geweten,
wendden hun ogen af van de hemel en dachten niet aan de dreiging
van de rechtvaardige straffen.
Terwijl zij naar een geschikte dag uitzagen,
ging Susanna vergezeld van twee dienstmeisjes,
volgens haar gewoonte weer eens het park in.
En omdat het warm was, wilde zij er een bad nemen ;
er was immers niemand behalve de twee oudsten,
die zich hadden verscholen en haar begluurden.
Susanna zei dus tot de dienstmeisjes :
“Ga olie en balsem halen en sluit de poort van het park,
dan ga ik een bad nemen.”
Zodra de dienstmeisjes vertrokken waren,
kwamen de twee oudsten te voorschijn en liepen op haar toe
en zeiden :
“Susanna, de poort van het park is gesloten
en er is niemand die ons ziet ;
wij branden van begeerte naar je :
wees ons daarom terwille en heb gemeenschap met ons,
anders zullen we tegen jou getuigen,
dat er een jongeman bij je was
en dat je daarom de dienstmeisjes hadt weggestuurd.”
Susanna zuchtte diep en sprak :
“Van alle kanten word ik bedreigd :
want doe ik het, dan wacht mij de dood ;
doe ik het niet, dan zal ik uw hand niet ontkomen.
“maar liever val ik onschuldig in uw handen
dan te zondigen tegen de Heer.”
Daarop begon Susanna luid te roepen,
maar de twee oudsten schreeuwden tegen haar in
en een van hen liep naar de poort van het park en opende die.
Toen degenen die in huis waren
het geschreeuw in het park hoorden,
kwamen ze door de zij-ingang toegesneld om te zien
wat Susanna overkomen was.
Toen de oudsten hun verhaal deden,
geraakten de bedienden in grote verlegenheid,
want nog nooit was zoiets van Susanna verteld.
Toe het volk de volgende dag
weer bij haar man Joakim samenkwam,
gingen de oudsten er toe over om hun goddeloos plan uit te voeren
en Susanna ter dood te brengen.
Voor het verzamelde volk bevalen ze :
“Lat Susanna halen, de dochter van Chelkia,
de vrouw van Joakim.”
Men liet haar halen.
Zij verscheen, vergezeld van haar ouders,
haar kinderen en al haar verwanten.
Haar verwanten en allen die haar zagen weenden.
Terwijl de twee oudsten voor het volk gingen staan
en hun handen op haar hoofd legden,
blikte Susanna schreiend op naar de hemel,
want in haar hart bleef zij vertrouwen op de Heer.
Toen verklaarden de oudsten :
“Terwijl we alleen in het park wandelden,
kwam zij met twee dienstmeisjes naar binnen,
sloot de poort en stuurde de meisjes weg.
“Daarop kwam er een jong man naar haar toe,
die zich schuil had gehouden, en ging bij haar liggen.
“Toen we vanuit een hoek van het park het misdrijf bemerkten,
snelden we naar hen toe
en zagen dat ze met elkaar gemeenschap hadden.
“Hem konden wij niet te pakken krijgen,
omdat hij sterker was dan wij,
de poort opende en zich uit de voeten maakte;
maar haar grepen we
en we vroegen haar, wie die jongeman was ;
maar ze wilde het ons niet zeggen. Dat getuigen wij.”
De vergadering geloofde hen,
gezien zij oudsten van het volk waren en rechters,
en veroordeelde Susanna ter dood.

Nadat Susanna ter dood veroordeeld was
riep zij met luide stem :
“Eeuwige God, die het verborgene kent
en alles reeds weet, voordat het gebeurt,
Gij weet dat deze oudsten
een vals getuigenis tegen mij hebben afgelegd ;
en ofschoon ik niet gedaan heb
hetgeen ze mij boosaardig ten laste leggen,
moet ik toch sterven.”
De Heer verhoorde haar gebed.
Terwijl zij werd weggeleid om gedood te worden,
gaf God een jongeman, Daniël geheten, een heilig besluit in.
Deze jongeman riep met luide stem :
“Ik ben onschuldig aan haar bloed !”
Waarop het volk zich naar hem toekeerde en vroeg :
“Wat bedoel je daarmee ?”
Hij ging in hun midden staan en zei :
“Zijn jullie niet goed wijs, zonen van Israël ?
“Veroordelen jullie een dochter van Israël
zonder nader onderzoek en kennis van zaken ?
“Ga terug naar de rechtszaal, want dezen hier
hebben een vals getuigenis tegen haar afgelegd.”
Daarop ging al het volk haastig naar de rechtszaal terug.
Daar zeiden de oudsten tot Daniël :
“Neem plaats in ons midden en deel ons je bedoelingen mee,
want God heeft je het gezag van de ouderdom verleend.”
Toen zei Daniël tot hen :
“Zonder ze van elkaar af,
dan zal ik ze aan een verhoor onderwerpen.”
Ze werden dus van elkaar gescheiden.
Daniël riep vervolgens een van de twee oudsten bij zich en zei :
“Je bent in boosheid vergrijsd,
maar nu krijg je de straf voor al de zonden die je bedreven hebt
door onrechtvaardige vonnissen te vellen :
onschuldigen heb je veroordeeld en schuldigen vrijgesproken
in strijd met het gebod van de Heer :
Breng iemand die onschuldig is en in zijn recht staat,
niet ter dood.
“Welnu, als je haar op heterdaad betrapt hebt,
zeg dan onder wat voor een boom heb je ze samen gezien?”
Hij antwoordde : “Onder een mastiekboom.”
Daniël hernam : “Die prachtige leugen kost je je kop !
“Want Gods engel heeft van God al bevel gekregen
je in tweeën te splijten.”
Nadat Daniël deze had laten wegleiden,
liet hij de ander voorkomen en zei tot hem :
“Je bent een afstammeling van Kanaän en niet van Juda !
De schoonheid heeft je verleid
en de hartstocht heeft je hoofd op hol gebracht.
“Zo handelden jullie met de dochters van Israël
en uit vrees waren die jullie ter wille,
maar een dochter van Juda
heeft zich niet willen schikken naar jullie boosheid.
“Welnu : Onder wat voor een boom
heb je ze betrapt?”
heb je ze betrapt?”
Hij antwoordde : “Onder een steeneik.”
Daniël hernam :
“Ook jij hebt door die prachtige leugen je kop verspeeld !
“Want Gods engel staat reeds klaar
om je met het zwaard doormidden te houwen
en jullie beiden te verdelgen.”
Hierop barstte heel de vergadering los in luid gejuich
en men loofde God, die redt wie op Hem vertrouwt.
En nu Daniël met hun eigen woorden bewezen had
dat de twee oudsten een vals getuigenis hadden afgelegd,
keerde het volk zich tegen hen
en overeenkomstig de wet van Mozes
voltrokken ze aan de oudsten de straf
die zij in hun boosheid hun naaste hadden beraamd :
ze werden ter dood gebracht.
Zo werd die dag een onschuldige van de dood gered.

TUSSENZANG                                              Ps. (23), 22 1-3a, 3b-4, 5, 6

Al voert mijn weg door donkere kloven,
ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt.

De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort;
Hij laat mij weiden op groene velden.
Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten,
Hij geeft mij weer frisse moed.

Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden
omwille van zijn Naam.
Al voert mijn weg door donkere kloven,
ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt.
Uw stok en uw herderstaf
geven mij moed en vertrouwen.

Gij nodigt mij aan uw tafel
tot ergernis van mijn bestrijders.
Met olie zalft Gij mijn hoofd,
mijn beker is overvol.

Voorspoed en zegen verlaten mij nooit
elke dag van mijn leven.
Het huis van de Heer zal mijn woning zijn
voor alle komende tijden.

VERS VOOR HET EVANGELIE                                            Ez. 33, 11

Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze,
zegt de Heer,
maar veeleer daarin, dat hij zich bekeert en leeft.

EVANGELIE                                                       Joh. 8, 12-20
Ik ben het licht der wereld.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
Johannes

In die tijd richtte Jezus het woord tot de Farizeeën en sprak :
“Ik ben het licht der wereld.
“Wie Mij volgt
dwaalt niet rond in duisternis,
maar zal het licht des levens bezitten.”
De Farizeeën wierpen Hem tegen :
“Gij getuigt over Uzelf ;
uw getuigenis heeft geen waarde.”
Jezus antwoordde hun :
“Ook al getuig Ik over Mijzelf
toch heeft mijn getuigenis waarde,
omdat Ik weet vanwaar Ik gekomen ben
en waarheen Ik ga.
“Gij echter weet niet vanwaar Ik kom
of waarheen Ik ga.
“Gij oordeelt naar het aardse,
Ik oordeel niemand.
“En zelfs als Ik zou oordelen
dan is mijn oordeel toch rechtsgeldig,
omdat Ik niet alleen ben
maar de Vader die Mij gezonden heeft met Mij is.
“Ook in uw Wet staat geschreven
dat het getuigenis van twee mensen geldig is.
“Ik ben het die getuig over Mijzelf,
en ook de Vader die Mij gezonden heeft getuigt over Mij.”
Zij vroegen Hem dan :
“Waar is uw Vader?”
Jezus antwoordde :
“Gij kent Mij evenmin als gij mijn Vader kent;
zoudt gij Mij kennen
dan zoudt gij ook mijn Vader kennen.”

Deze woorden sprak Hij bij de schatkamer,
toen Hij onderricht gaf in de tempel.
En niemand greep Hem,
want zijn uur was nog niet gekomen.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

                                                                                                                                                                                                                                   

Zaterdag vierde week in de veertigdagentijd H. Vincentius Ferrer, pr.

Overweging

De meningen over Jezus zijn verdeeld. We kunnen drie groepen onderscheiden: sommigen zien in hem de profeet, de nieuwe Mozes, de nieuwe wetgever. Anderen, meer nationalistisch geïnspireerd, zien in Hem de afstammeling van koning David, de Messias die een nieuw rijk zal stichten. Nog anderen ergeren zich aan de lage afstamming van Jezus: de profeet, de Messias kan niet komen uit een onooglijk dorp in Galilea.

Dit roept ons op om zelf na te denken: zien wij God, ontmoeten wij God, daar waar Hij plots oplicht ? Zien we Hem in de gewone omstandigheden van het leven, onderweg, waar we Hem niet verwachten ?

EERSTE LEZING                                                         Jer. 11, 18-20
Ik was argeloos als een lam dat ter slachting geleid wordt.

Uit de Profeet Jeremia

Toen God de Heer mij waarschuwde, kreeg ik het pas door ;
gij hebt mij inderdaad hun plannen laten zien.
Ik was argeloos
als een lam dat ter slachting geleid wordt ;
ik vermoedde niet wat ze tegen mij beraamden :
We vellen de boom in zijn volle kracht.
We bannen hem uit het land van de levenden,
zodat zijn naam niet meer wordt genoemd.

Heer, God van de hemelse machten,
uw oordeel is rechtvaardig,
Gij doorgrondt hart en nieren.
Laat mij dan zien, hoe Ge U op hen wreekt ;
ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.

TUSSENZANG                                          Ps. 7, 2-3, 9bc-10, 11-12

Heer, mijn God, tot U vlucht ik.

Heer, mijn God, tot U vlucht ik,
verlos mij van mijn vervolgers.
Anders slepen de leeuwen mij mee,
verscheuren zij mij zonder redding.

Verschaf mij recht naar verdienste,
omdat ik niet schuldig ben.
Eindig het onrecht, bevestig het recht,
rechtvaardige God, die de harten kent.

Het schild dat mij dekt is God,
oprechte harten beschermt Hij.
Hij is een rechtvaardige rechter,
een altijd dreigende God.

VERS VOOR HET EVANGELIE                                Ps. 51(50), 12a en 14a

Schep in mij een zuiver hart, mijn God,
geef mij weer de weelde van uw zegen.

EVANGELIE                                                    Joh. 7, 40-53
Komt de Messias soms uit Galilea ?

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Bij het horen van Jezus’ woorden
zeiden sommigen van het volk :
“Dit is inderdaad de profeet.”
Anderen zeiden :
“Het is de Messias.”
Weer anderen wierpen op :
“Komt de Messias soms uit Galilea ?
“Heeft de Schrift niet gezegd
dat de Messias komen zal uit het geslacht van David
en uit Betlehem, het dorp waar David woonde ?”
Zo ontstond er dus om Hem verdeeldheid onder het volk.
Sommigen hunner wilden Hem gevangennemen,
maar niemand sloeg de hand aan Hem.
Toen dan ook de dienaars
bij de hogepriesters en Farizeeën terugkwamen
vroegen deze hun :
“Waarom hebt gij Hem niet meegebracht ?”
De dienaars antwoordden :
“Nooit heeft iemand zo gesproken als die man.”
Waarop de Farizeeën zeiden :
“Hebt gij u soms ook laten bedriegen ?
“Heeft dan een van de overheden
of van de Farizeeën in Hem geloofd ?
“Dat volk, ja,
dat de Wet niet kent,
vervloekt zijn ze !”
Maar een uit hun kring, Nikodémus
die vroeger bij Jezus gekomen was merkte op :
“Veroordeelt onze Wet iemand
zonder hem eerst te horen en te vernemen wat hij doet ?”
Zij gaven hem ten antwoord :
“Zijt gij soms ook uit Galilea ?
“Zoek maar na en gij zult zien
dat de profeet niet uit Galilea opstaat.”
Toen ging ieder naar huis.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Woensdag vierde week in de veertigdagentijd H. Franciscus van Paola, kluizenaar

Overweging

Het genezen op sabbat komt ook bij de Synoptici voor maar Johannes gaat steeds dieper. In de andere evangelies wordt vaak gewezen op een noodsituatie. Iemand helpen op sabbat mag, zowel voor Jezus als voor ons. Maar dit hier is geen casuïstiek. Hier wordt verwezen naar de Vader zelf. Altijd is Hij bezig met de wereld en de mens. Hij houdt niet op met werken, ook op sabbat. Alles wat de Vader mag, doet ook de Zoon. Zoals altijd beklemtoont Johannes de Hoogheid van Jezus en dat is onaanvaardbaar voor de joden.

EERSTE LEZING                                                     Jes. 49,8-15
Ik zal u vormen en u maken tot de man van het Verbond, om het land weer te herstellen.

Uit de Profeet Jesaja

Zo spreekt de Heer :
“Op de tijd van mijn welbehagen verhoor Ik u,
op de dag van het heil kom Ik u helpen.
“Ik zal u vormen en u maken
tot de man van het verbond,
om het land weer te herstellen,
om het verkommerde erf opnieuw te verdelen,
om tot de geboeiden te zeggen : ‘Komt naar buiten !’
en tot hen die in de duisternis zitten : ‘Vertoont u !’
“langs de wegen zullen zij weiden,
op de kale gronden zullen zij grazen.
“Zij lijden geen honger of dorst,
geen gloeiende wind, geen brandende zon die hen deert,
want Degene die zich ontfermt over hen,
Hij geleidt hen,
Hij brengt hen naar de waterbronnen.
“Van al mijn bergen maak Ik banen
en mijn wegen worden geëffend.
“Er zijn er die komen van verre ;
anderen komen uit het noorden en van de zeekant,
en weer anderen uit Sinim.
“Hemelen, juicht, en gij, aarde, verblijd u !
“Bergen, breekt uit in gejubel,
want de Heer is zijn volk komen troosten,
zich komen ontfermen over zijn arme getrouwen.
“Sion denkt : ‘De Heer heeft mij verlaten,
mijn God heeft mij vergeten.’
“Kan een vrouw haar zuigeling vergeten ?
“Heeft een moeder niet meer te doen
met het kind van haar schoot ?
“En al zou een moeder haar kind vergeten,
neen, Ik vergeet u nooit!”

TUSSENZANG                                     Ps. 145(144), 8-9, 13cd-14, 17-18

De Heer is vol liefde en medelijden.

De Heer is vol liefde en medelijden,
lankmoedig en zeer goedgunstig.
De Heer is bezorgd voor iedere mens,
barmhartig voor al wat Hij maakte.

Waarachtig is God in al zijn woorden
en heilig in al wat Hij doet.
De Heer ondersteunt die dreigen te vallen,
richt alwie gebukt gaat weer op.

De Heer is rechtvaardig op al zijn wegen,
en heilig in al wat Hij doet.
Nabij is de Heer voor elk die Hem aanroept,
voor elk die oprecht tot Hem bidt.

VERS VOOR HET EVANGELIE                            Joh. 6, 64b en 69b

Uw woorden, Heer, zijn geest en leven ;
uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.

EVANGELIE                                                     Joh. 5, 17-30
Zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt,
zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd
verdedigde Jezus zich tegen de Joden met de woorden :
“Tot op de dag van vandaag
is mijn Vader voortdurend aan het werk
en houd ook Ik niet op met werken.”
Om die reden waren de Joden er nog meer op uit Hem te doden :
Hij tastte immers niet slechts de sabbat aan,
maar Hij noemde zelfs God zijn eigen Vader
en maakte daardoor zichzelf aan God gelijk.
Hierop nam Jezus opnieuw het woord en sprak :
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u :
de Zoon kan niets uit zichzelf
maar alleen datgene wat Hij de Vader ziet doen.
“En alles wat Deze doet
doet de Zoon insgelijks.
“De Vader toch heeft de Zoon lief
en laat Hem alles zien wat Hij doet.
“Nog grotere werken dan deze zal Hij Hem tonen,
zodat gij verbaasd zult staan.
“Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt,
zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil.
“De Vader oordeelt niemand,
maar Hij heeft
het oordeel geheel en al in handen van de Zoon gelegd,
opdat allen de Zoon zouden eren zoals zij de Vader eren.
“Wie de Zoon niet eert
eert evenmin de Vader die Hem zond.
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u :
wie luistert naar mijn woord
en gelooft in Hem die Mij zond,
heeft eeuwig leven en is aan geen oordeel onderworpen ;
hij is immers reeds uit de dood naar het leven overgegaan.
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u :
er zal een uur komen, ja het is er al,
waarop de doden de stem van Gods Zoon zullen horen
en die haar horen, zullen leven.
“Zoals de Vader leven heeft in zichzelf,
zo gaf Hij ook aan de Zoon
leven in zichzelf te hebben.
“Hij heeft Hem macht gegeven om oordeel te vellen ;
Hij is immers de Mensenzoon.
“Verwondert u niet hierover :
er zal een uur komen
waarop allen die in graven zijn
zijn stem zullen horen.
“Dan zullen zij die het goede deden
er uit te voorschijn komen tot de opstanding ten leven,
maar die het kwade deden tot de opstanding ten oordeel.
“Ik kan niets uit Mijzelf :
Ik oordeel naar wat Ik hoor
en mijn oordeel is rechtvaardig,
omdat Ik niet mijn eigen wil zoek
maar de wil van Hem die Mij zond.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Dinsdag vierde week in de veertigdagentijd

Overweging
‘Die dag was het echter sabbat’: Met deze woorden wordt de discussie van de volgende dagen ingeluid. De gezondene van God treedt ook op wanneer zijn handelen hem in conflict brengt met menselijke redeneringen en met de gangbare interpretatie van de Wet. Door het conflict ziet niemand nog de onvoorstelbare genezing van de man. In beide lezingen speelt water als helende kracht een grote rol. Belangrijk is vooreerst dat de kracht van het water van God komt. Het stroomt vanuit de tempel. Ook in het evangelie wordt de zieke niet genezen door de wonderlijke kracht van het water, maar door het bevelend woord van Jezus zelf: ‘Sta op, neem je bed en loop’.

EERSTE LEZING                                                  Ez. 47, 1-9.12
Ik zag water stromen uit de tempel, en allen die het water raakte werden gered.

Uit de Profeet Ezekiël

De engel van de Heer bracht mij terug
naar de ingang van de tempel.
Daar zag ik hoe er van onder de drempel van de tempel
water stroomde in oostelijke richting :
de voorzijde van de tempel lag namelijk op het oosten.
Het water vloeide onder de rechtervleugel van de tempel door,
aan de zijde van het altaar.
Daarop leidde hij mij door de noorderpoort naar buiten.
Hij voerde mij buitenom naar de oostzijde :
het water stroomde van onder de rechtervleugel.
Toen ging hij met de duimstok in de hand
verder in oostelijke richting.
Hij mat een afstand af van duizend el
en liet mij vervolgens door het water stappen :
het reikte tot aan mijn enkels.
Opnieuw mat hij duizend el af
en liet mij door het water waden :
het kwam tot aan mijn knieën ;
en hij mat nog eens duizend el af
en liet mij door het water waden :
nu kwam het tot aan mijn middel.
Toen hij nog eens duizend el afgemeten had
was het water een rivier geworden
waar ik niet meer door heen kon waden ;
het water was zo diep dat men er niet stappend,
maar alleen zwemmend door kon komen.
Toen vroeg hij mij :
“Ziet ge dat, mensenkind ?”
Daarna leidde hij mij terug
langs de oever van de rivier.
Terwijl hij mij terugvoerde zag ik
hoe er op beide oevers van de rivier
heel veel bomen stonden.
De engel van de Heer zei mij :
“De rivier stroomt naar de vlakte in het oosten,
en verder stroomt hij naar de Araba,
om vervolgens uit te monden in de Zoutzee
waarvan het water drinkbaar wordt.
“Overal waar de rivier stroomt
zullen de waterdieren in leven kunnen blijven.
Er zal heel veel vis zijn,
want overal waar de rivier komt
zal het water drinkbaar worden,
en zal alles in leven blijven.
“Op beide oevers van de rivier
zullen allerlei vruchtbomen opschieten
waarvan de bladeren niet verwelken,
de vruchten niet opraken ;
want de bomen zullen elke maand vruchten dragen.
“Zij worden immers gevoed met water uit de tempel.
“De vruchten zullen dienen als voedsel
en de bladeren als geneesmiddel.”

TUSSENZANG                                         Ps. 46(45), 2-3, 5-6, 8-9

De Heer van de hemelse legers is met ons,
een veilige burcht is ons Jakobs God.

De Heer is voor ons een vesting en toevlucht,
een machtige hulp in nood.
Zo zijn wij niet bang, al kantelt de aarde,
al vallen de bergen in zee.

Een klaterend beekje verkwikt Gods stad,
het heilig verblijf van de Allerhoogste.
Die stad staat onwrikbaar, want God is daarbinnen,
God staat haar terzij als de dag begint.

De Heer van de hemelse legers is met ons,
een veilige burcht is ons Jakobs God.
Komt nader en ziet wat de Heer heeft gedaan,
zijn wondere werken op aarde.

VERS VOOR HET EVANGELIE                                 Ez. 33,11

Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze,
zegt de Heer,
maar veeleer daarin, dat hij zich bekeert en leeft.

EVANGELIE                                              Joh. 5, 1-3a.5-16
Op slag werd de man gezond.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Omdat er een feest van de joden was,
ging Jezus op naar Jeruzalem.
Nu is er in Jeruzalem bij de Schaapspoort een badinrichting,
in het Hebreeuws Bezeta geheten,
met vijf zuilengangen.
In die gangen lag altijd een groot aantal gebrekkigen.
Nu was daar een man die al achtendertig jaar lang gebrekkig was.
Jezus zag hem liggen
en omdat Hij wist dat hij reeds lang zo lag zei Hij tot hem :
“Wil je gezond worden ?”
De zieke gaf Hem ten antwoord :
“Heer, ik heb niemand om mij
in het bad te brengen
wanneer het water bewogen wordt,
en terwijl ik ga
daalt een ander voor mij er in af.”
Daarop zei Jezus hem :
“Sta op, neem je bed op en loop.”
Op slag werd de man gezond.
Hij nam zijn bed op en liep.
Die dag was het echter sabbat
en daarom zeiden de Joden tot de genezene :
“Het is sabbat,
je mag je bed niet dragen.”
Hierop antwoordde hij hun :
“Die mij gezond heeft gemaakt Die heeft mij gezegd :
Neem je bed op en loop!”
Daarom vroegen zij hem :
“Wie is die man die je zei :
Neem je bed op en loop ?”
De genezene wist niet wie het was,
want Jezus had zich ongemerkt teruggetrokken
omdat er veel volk ter plaatse was.
Later trof Jezus hem in de tempel en sprak tot hem :
“Zie, je bent nu genezen !
“Zondig niet meer
opdat je niets ergers overkomt.”
De man ging heen en vertelde aan de Joden
dat het Jezus was die hem genezen had.
Omdat Jezus dergelijke dingen op sabbat deed
begonnen de Joden Hem te vervolgen.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Maandag vierde week in de veertigdagentijd

Overweging

Vandaag breekt de tijd van Johannes aan, voor vele weken. We beluisteren een typisch Johanneisch verhaal met een dubbele bodem: de genezing van een zieke. De fysische genezing verwijst naar het diepere, het geestelijke. Geloof wekt leven, maar niet alleen lichamelijk, ook geestelijk: het schenkt het onvergankelijk leven. In vers 48 wordt duidelijk dat Jezus elke sensatie rond zijn optreden afwijst. Sensatie leidt niet tot geloof. Zucht naar wonderen is niet gezond. Echt geloof schouwt doorheen het teken naar het diepste niveau: wie is Jezus ten diepste ? Het gelovig antwoord luidt: de gezondene, de Zoon van de Vader. Wie is Hij ten diepste voor mij ?

EERSTE  LEZING                                                                 Jes. 65, 17-21
Het geluid van geween, het geluid van geschrei worden nooit
meer gehoord.

Uit de Profeet Jesaja

Zo spreekt de Heer :
“In die dagen ga Ik scheppen
een nieuwe hemel
en een nieuwe aarde.
“aan wat vroeger geweest is
wordt dan niet meer gedacht
en het komt in het hart niet meer op,
maar gij zult verrukt zijn en juichen,
altijd door, om wat Ik dan schep.
“Want Ik maak van Jeruzalem een verrukking
en een heerlijkheid van zijn volk.
“Ik zal om Jeruzalem verrukt zijn
en opgetogen over mijn volk.
“Het geluid van geween, het geluid van geschrei
worden daar nooit meer gehoord.
“Daar zal geen kind meer zijn,
dat na weinige dagen sterft,
en er zal geen grijsaard meer zijn,
die zijn dagen niet vol zal maken.
“Want men sterft daar jong,
ook al wordt men honderd jaar,
en wie er de honderd niet haalt,
hij zal een vervloekte zijn.
“Dan bouwen zij huizen en gaan erin wonen,
zij planten wijnstokken en eten hun vruchten.”
Zo spreekt de almachtige Heer.

TUSSENZANG                                                Ps. 30(29), 2, 4, 5-6, 11-12a, 13b

U zal ik loven, Heer, want Gij hebt mij bevrijd.

U zal ik loven, Heer, want Gij hebt mij bevrijd,
Gij hebt mijn vijanden niet laten zegevieren.
Heer, uit het dodenrijk hebt Gij mijn ziel verlost,
Gij hebt mij losgemaakt van die ten grave dalen.

Bezingt de Heer dan met mij, al zijn vromen,
en dankt zijn Naam die hoogverheven is.
Zijn toorn duurt kort, maar zijn genade levenslang,
de avond brengt geween, de ochtend blijdschap.

Heer, luister en ontferm U over mij,
mijn God, sta mij terzijde met uw hulp.
Gij hebt mijn rouwklacht in een vreugdedans veranderd,
U zal ik loven, Heer mijn God, in eeuwigheid.

VERS VOOR HET EVANGELIE                                            Joh. 3,16

Zozeer heeft God de wereld liefgehad
dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven,
opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan.

EVANGELIE                                                               Joh. 4, 43-54
Ga, uw zoon leeft.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd verliet Jezus Samaria en ging naar Galilea.
Hijzelf had verklaard
dat een profeet in zijn eigen vaderstad niet in aanzien is.
Toen Hij nu in Galilea kwam,
ontvingen de Galileeërs Hem welwillend,
omdat zij alles hadden gezien
wat Hij te Jeruzalem op het feest had gedaan.
Zij waren immers zelf ook op het feest geweest.
Zo kwam Hij dan wederom te Kana in Galilea
waar Hij van water wijn had gemaakt.
Daar bevond zich een koninklijke beambte
wiens zoon te Kafarnaüm ziek lag.
Toe hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen
ging hij naar Hem toe en verzocht Hem
dat Hij mee zou komen om zijn zoon te genezen,
want deze lag op sterven.
“Als gij geen wondertekenen ziet,
– zei Jezus tot hem –
dan gelooft gij niet.”
Daarop zei de hofbeambte:
“Heer, kom toch
eer mijn kind sterft!”
Jezus antwoordde :
“Ga maar, uw zoon leeft.”
De man geloofde wat Jezus hem zei en ging heen.
Zijn dienaars kwamen hem onderweg reeds tegemoet
met de boodschap dat zijn kind leefde.
Hij vroeg hun naar het uur waarop de beterschap was ingetreden
en zij zeiden hem :
“Gisteren, op het zevende uur is de koorts van hem geweken.”
Toen besefte de vader
dat het gebeurd was juist op het uur waarop Jezus gezegd had :
Uw zoon leeft.
Hijzelf en heel zijn gezin geloofden.

Dit tweede teken deed Jezus
nadat Hij uit Judea naar Galilea gekomen was.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Vierde zondag in de veertigdagentijd

Openingswoord

Vandaag leert de Schrift ons Jezus kennen
als Licht voor de mens en de wereld.
Dat is Hij voor ieder van ons.
Dat is Hij bijzonder ook voor allen die zich voorbereiden
om in de paasnacht de initiatiesacramenten te ontvangen
van doop, vormsel en eucharistie:
dan zullen zij van de paaskaars het Licht van Christus ontvangen.
Op onze weg naar Pasen bidden wij, als gedoopten, voor elkaar,
en ook voor hen, bekenden of onbekenden,
die ons komen vervoegen in  de Kerk van Jezus Christus.

EERSTE LEZING                                   I Sam. 16, 1b.6-7.10-13a
David wordt gezalfd tot koning over Israël.

Uit het eerste boek Samuël:

In die dagen zei de Heer tot Samuël:
“Vul een hoorn met olie:
Ik zend u naar Isaï, de Betlehemiet,
want een van zijn zonen heb Ik voor het koningschap bestemd.”

Toen Samuël daar aankwam, viel zijn blik op Eliab en hij dacht:
Die daar voor de Heer staat, is ongetwijfeld zijn gezalfde!
Maar de Heer zei tot Samuël:
“Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte;
hem wil Ik niet.
“Want God ziet niet zoals een mens ziet;
een mens kijkt naar het uiterlijk,
maar de Heer naar het hart.”
Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor,
maar Samuël zei tot Isaï:
“Geen van hen heeft de Heer uitverkoren.”
Daarop vroeg hij aan Isaï:
“Zijn dat al uw jongens ?’
En deze antwoordde:
“Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen.”

Toen zei Samuël tot Isaï:
“Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel
voordat hij hier is.”
Isaï liet hem dus halen.
De jongen was rossig,
had mooie ogen en een prettig voorkomen.
Nu zei de Heer:
“Hem moet gij zalven: hij is het.”
Samuël nam dus de hoorn met olie
en zalfde hem te midden van zijn broers.
Sedert die dag
was de geest van de Heer vaardig over David.

Antwoordpsalm                                 Ps. 23(22), 1-3a, 3b-4, 5, 6

Keervers
De Heer is mijn herder,
niets kom ik tekort.

De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort;
Hij laat mij weiden op groene velden.
Hij brengt mij aan water, waar ik kan rusten,
Hij geeft mij weer frisse moed.

Mijn schreden leidt Hij langs rechte paden
omwille van zijn Naam.
Al voert mijn weg door donkere kloven,
ik vrees geen onheil waar Gij mij leidt.
Uw stok en uw herdersstaf
geven mij moed en vertrouwen.

Gij nodigt mij aan uw tafel
tot ergernis van mijn bestrijders.
Met olie zalft Gij mijn hoofd,
mijn beker is overvol.

Voorspoed en zegen verlaten mij nooit,
elke dag van mijn leven.
Het huis van de Heer zal mijn woning zijn
voor alle komende tijden.

TWEEDE  LEZING                                             Ef. 5, 8-14
Sta op uit de dood en Christus’ licht zal over u stralen.

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze

Broeders en zusters,

Eens waart gij duisternis,
nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer.
Leeft dan ook als kinderen van het licht.
De vrucht van het licht kan alleen maar zijn:
goedheid, gerechtigheid, waarheid.
Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt.
Neemt geen deel aan duistere en onvruchtbare praktijken,
brengt ze liever aan het licht.
Wat die mensen in het geheim doen,
is te schandelijk om er ook maar over te spreken.
Alles echter wat aan het licht wordt gebracht,
komt in het licht tot helderheid.
En alles wat verhelderd wordt,
is zelf “licht” geworden.
Zo zegt de hymne:
“ontwaak, slaper,
sta op uit de dood
en Christus’ licht zal over u stralen.”

Vers voor het evangelie                                            Joh. 8, 12b

Lof en eer zij U, Heer Jezus.
Ik ben het licht van de wereld, zegt de Heer,
wie Mij volgt, zal het levenslicht bezitten.
Lof en eer zij U, Heer Jezus.

EVANGELIE                                                     Joh. 9, 1-41
Hij ging, waste zich en kwam ziende terug.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zag Jezus in het voorbijgaan een man die blind was
van zijn geboorte af.

Zijn leerlingen vroegen Hem:
“Rabbi, wie heeft gezondigd,
hijzelf of zijn ouders,
dat hij blind geboren werd?”

Jezus antwoordde:
“Noch hij, noch zijn ouders hebben gezondigd,
maar de werken Gods moeten in hem openbaar worden.
“Wij moeten de werken van Hem die Mij gezonden heeft,
verrichten zolang het dag is.
“Er komt een nacht
en dan kan niemand werken.
“Zolang Ik in de wereld ben,
ben Ik het licht van de wereld.”
Toen Hij dit gezegd had,
spuwde Hij op de grond,
maakte met het speeksel slijk,
bestreek daarmee de ogen van de man
en zei tot hem:
“Ga u wassen in de vijver van Siloam,”
-wat betekent: gezondene-
De blinde ging ernaar toe, waste zich
en kwam er ziende vandaan.
Zijn buren nu
en degenen die hem vroeger hadden zien bédelen, zeiden:
“Is dat niet de man, die zat te bédelen ?”
Sommigen zeidfen:
“Inderdaad, hij is het.”
Anderen:
“Neen, hij lijkt alleen maar op hem.”
Hijzelf zei:
“Ik ben het.”

Toen vroegen ze hem:
“Hoe zijn dan uw ogen geopend ?”
Hij antwoordde:
“De man die Jezus heet, maakte slijk,
bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij:
Ga naar de Siloam en was u.
“Ik ben dus gegaan, waste mij en kon zien.”
Ze vroegen hem toen:
“Waar is die man ?”
Hij zei:
“Ik weet het niet.”

Men bracht nu de man die blind geweest was,
bij de Farizeeën;
de dag waarop Jezus slijk had gemaakt en zijn ogen geopend,
was namelijk een sabbat.
Ook de Farizeeën vroegen hem dus,
hoe hij het gezicht herkregen had.
Hij zei hun:
“De man die Jezus heet, deed slijk op mijn ogen,
ik waste mij en ik zie.”
Toen zeiden sommige Farizeeën:
“Die man komt niet van God,
want Hij onderhoudt de sabbat niet.”
Anderen zeiden:
“Hoe zou een zondig mens zulke tekenen kunnen doen?”
Zo was er verdeeldheid onder hen.
Zij richtten zich opnieuw tot de blinde en vroegen:
“Wat zegt gijzelf van Hem,
daar Hij u toch de ogen geopend heeft?”
Hij antwoordde:
“Het is een profeet.”

De joden wilden niet van hem aannemen,
dat hij blind was geweest en het gezicht herkregen had,
eer zij de ouders van de genezene hadden laten komen.
Zij stelden hun toen de vraag:
“Is dit uw zoon,
die volgens uw zeggen blind geboren is ?
“Hoe kan hij dan zien?”
Zijn ouders antwoordden:
“Wij weten dat dit onze zoon is
en dat hij blind is geboren,
maar hoe hij nu zien kan, weten we niet;
of wie zijn ogen geopend heeft,
wij weten het niet.
“Vraagt het hemzelf,
hij is oud genoeg
en zal zelf zijn woord wel doen.”
Zijn ouders zeiden dit omdat zij bang waren voor de joden,
want de joden hadden reeds afgesproken
dat al wie Jezus als Messias beleed,
uit de synagoge gebannen zou worden.
Daarom zeiden zijn ouders:
Hij is oud genoeg, vraagt het hemzelf.

Voor de tweede maal
riepen de Farizeeën nu de man die blind was geweest, bij zich
en zeiden hem:
“Geef eer aan God.
“Wij weten dat die man die Jezus heet, een zondaar is.”
Hij echter antwoordde:
“Of Hij een zondaar is, weet ik niet.
“Eén ding weet ik wel:
dat ik blind was en nu zie.”
Daarop vroegen zij hem wederom:
“Wat heeft Hij met u gedaan?
“Hoe heeft Hij uw ogen geopend ?”
Hij antwoordde:
“Dat heb ik al verteld, maar gij hebt niet geluisterd.
“Waarom wilt gij het opnieuw horen ?
“Wilt ook gij soms leerlingen van Hem worden ?”
Toen zeiden zij smalend tot hem:
“Jij bent een leerling van die man,
wij zijn leerlingen van Mozes.
“Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft,
maar van deze weten we niet waar Hij vandaan is.”
De man gaf hun ten antwoord:
“Dit is toch wel wonderlijk,
dat gij niet weet vanwaar Hij is;
en Hij heeft mij nog wel de ogen geopend.
“Wij weten dat God niet naar zondaars luistert,
maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet,
dan luistert Hij naar zo iemand.
“Nooit in der eeuwigheid heeft men gehoord,
dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend.
“Als deze man niet van God kwam,
had Hij zoiets nooit kunnen doen.”

Zij voegden hem toe:
“In zonden ben je geboren,
zo groot als je bent,
en jij wilt ons de les lezen ?”
Toen wierpen ze hem buiten.

Jezus vernam dat men hem buitengeworpen had,

en toen Hij hem aantrof, zei Hij:
“Gelooft ge in de Mensenzoon ?”
Hij antwoordde:
“Wie is dat, Heer ?
“Dan zal ik in Hem geloven.”
Jezus zei hem:
“Gij ziet Hem,
het is degene die met u spreekt.”
Toen zei hij:
“Ik geloof, Heer,”
en hij wierp zich voor Hem neer.

En Jezus sprak:
“Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen,
opdat de niet-zienden zouden zien
en de zienden blind worden.”
Enkele Farizeeën die bij Hem stonden,
hoorden dit en zeiden tot Hem:
“Zijn wij soms blind ?”
Jezus antwoordde:
“Als gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben,
maar nu gij zegt: wij zien,
blijft uw zonde.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties bij de zondagse eucharistieviering.

Vrijdag derde week in de veertigdagentijd

Overweging

Christus volgen is Hem volgen én in zijn totale liefde en overgave aan de Vader, én in zijn gegeven-zijn aan de medemens. Dit stukje evangelie – een pareltje – drukt voor ons blijvend uit wat wezenlijk christelijk is. Het is een gevaarlijke en eeuwenlange bekoring voor de christenen om deze twee te scheiden. Ze dienen immers onlosmakelijk met elkaar verbonden te zijn. Liefde tot de naaste, zonder liefde tot God, is louter humanisme. Liefde tot God zonder liefde tot de naaste is een belediging van God, voor wie elke mens uniek is. Indien we die balans in evenwicht houden, wordt misschien ook tot ons het woord gericht: Gij zijt niet ver van het rijk Gods.

EERSTE LEZING                                                  Hos. 14,2-10
Wij zullen nooit meer zeggen tegen het maaksel van onze handen : Gij zijt onze God !

Uit de Profeet Hosea

Zo spreekt de Heer :
“Bekeer u, Israël, tot de Heer uw God,
want over uw schuld zijt gij gestruikeld.
“Kom met uw woorden als gave,
bekeer u tot de Heer en zeg Hem :
Gij vergeeft toch alle schuld ;
aanvaard ook onze goede wil :
wij zullen onze woorden als offerdieren geven.
“Assur kan ons niet redden ;
wij zullen niet meer op paarden rijden
en tegen het maaksel van onze handen
zeggen wij nooit meer : Gij zijt onze God.
“Gij Heer, zijt immers degene
bij wie de wees ontferming vindt.

“Ik wil hen van hun ontrouw genezen
en hun van harte mijn liefde schenken.
“Mijn toorn heeft zich van hen afgewend.
“Ik wil voor Israël zijn als de dauw :
als een lelie zal hij gaan bloeien
en hij zal wortels schieten, als op de Libanon.
“Zijn scheuten lopen uit,
zijn luister evenaart die van de olijf,
zijn geur die van de Libanon.
“Zij zullen opnieuw in zijn schaduw zitten ;
zij zullen koren kunnen verbouwen,
zij zullen bloeien als de wingerd
en vermaard zijn als de wijn van de Libanon.
“Wat heb Ik dan nog met de afgoden te maken, Efraïm ?
“Ik ben het die hem verhoort
en die naar hem omziet.
“Ik ben als een altijd groene cypres :
aan Mij zijn uw vruchten te danken.
“Wie is zo wijs dat hij dit beseft,
wie is zo verstandig dat hij dit inziet ?
“Inderdaad, recht zijn de wegen van de Heer :
de rechtschapenen bewandelen die,
maar rebellen komen er ten val.”

TUSSENZANG                       Ps. 81(80), 6c-8a, 8bc-9, 10-11 ab,14, 17

Ik ben de Heer, uw enige God,
hoor dan, mijn vok als Ik u waarschuw !

Nu hoor ik een stem, die ik nooit heb gehoord :
Ik heb u de last van uw schouders genomen.
Uw handen lieten de draagkorven staan ;
gij hebt Mij geroepen, Ik heb u bevrijd.

Uit onweerswolken gaf Ik u antwoord,
bij Meriba stelde Ik u op de proef.
Hoor dan, mijn volk, als Ik u waarschuw,
Israël, luister naar Mij !

Nooit mag er een vreemde god zijn bij u,
aanbid geen goden uit andere landen.
Want Ik ben de Heer, uw enige God,
die u uit Egypte geleid heb.

Ach, luisterde nu mijn volk maar naar Mij,
bewandelde Israël nu maar mijn paden ;
dan zou Ik mijn volk met tarwebloem voeden,
met honing verzadigen uit de rots.

VERS VOOR HET EVANGELIE                           Ps. 95(94), 8ab

Luistert heden naar de stem van de Heer,
en weest niet halsstrrig.

EVANGELIE                                                       Mc. 12, 28b-34
De Heer onze God is de enige Heer. Gij zult Hem beminnen met geheel uw hart.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd trad een schriftgeleerde op Jezus toe
en legde Hem de vraag voor :
“Wat is het allereerste gebod ?”
Jezus antwoordde :
“Het eerste is :
Hoor, Israël !
“De Heer onze God is de enige Heer.
“Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart,
geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht.
“Het tweede is dit :
Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.
“Er is geen ander gebod voornamer dan deze twee.”
Toen zei de schriftgeleerde tot Hem :
“Juist Meester, terecht hebt Ge gezegd :
Hij is de enige en er bestaat geen andere buiten Hem ;
en Hem beminnen met heel zijn hart,
heel zijn verstand en heel zijn kracht
en de naaste beminnen als zichzelf
dat gaat boven alle brand- en slachtoffers.”
Omdat Jezus zag dat hij wijs gesproken had zei Hij hem :
“Gij staat niet ver af van het Koninkrijk Gods.”
En niemand durfde Hem nog een vraag te stellen.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Dinsdag Aankondiging van de Heer. Maria Boodschap

Overweging
De verering van, en het bidden tot de moeder van de Heer kunnen niets anders zijn dan een antwoorden op Gods woord over Maria, een waarderen van de rol die haar toebedeeld werd in de zending van haar Zoon. Die zending beoogt het heil, het diepe geluk van de mens en de mensheid, heling, eenmaking, persoonlijk en gemeenschappelijk. Die zending heeft Maria als eerste ten volle beaamd: ‘Ik ben de dienares van de Heer’ (Lc 1,38). Buiten dit jawoord kan voortaan geen christen Maria vereren en tot haar bidden is zich met haar openstellen voor de nieuwe verbondenheid die de Vader door Christus in de Heilige Geest wil bewerken.

EERSTE LEZING                                            Jes. 7,10-14
Zie, de maagd zal ontvangen.

Uit de Profeet Jesaja

In die dagen sprak Jesaja tot Achaz :
“Vraag de Heer, uw God, om een teken,
hetzij hoog aan de hemel of diep in de hel.”
Maar Achaz antwoordde :
“Ik vraag niet om een teken ;
ik wil de Heer niet op de proef stellen.”
En Jesaja sprak :
“Luister dan, Huis van David,
is het u niet genoeg mensen te ergeren,
dat gij ook mijn God tot ergernis wilt zijn ?
“Daarom geeft de Heer u ook ongevraagd een teken :
Zie, de maagd zal ontvangen en een zoon baren,
en zij zal hem noemen ‘Immanuël’ : ‘God-met-ons’.”

TUSSENZANG                                    Ps. 40(39), 7-8, 9, 10, 11

Ja, ik kom, Heer, om uw wil te doen.

Geschenk en offerande hebt Gij nooit verlangd,
maar wel hebt Gij mijn oren voor uw stem geopend.
Gij vraagt geen brandoffer, geen zoenoffer van mij ;
dus zei ik : ja, ik kom, zoals van mij geschreven staat.

Uw wil te doen, mijn God, dat is mijn vreugde,
uw wet is in mijn hart gegrift.
In de bijeenkomsten heb ik gerechtigheid gepredikt,
mijn lippen niet gesloten, Heer, Gij weet het.

Ik hield uw weldaden niet in mijn hart verborgen,
uw trouw, uw bijstand maakte ik bekend.
Uw gunsten heb ik niet geheim gehouden,
noch uw getrouwheid, voor de mensen om mij heen.

TWEEDE LEZING                                                Hebr. 10, 4-10
In de boekrol staat er over mij geschreven :
Ik ben gekomen, o God, om uw wil te doen.

Uit de brief aan de Hebreeën

Broeders en zusters,

Het is uitgesloten
dat het bloed van stieren en bokken zonden zou wegnemen.
Daarom zegt Christus dan ook, als Hij in de wereld komt :
“Slachtoffers en gaven hebt Gij niet gewild,
maar Gij hebt voor mij een lichaam bereid.
“Brandoffers en zoenoffers konden U niet behagen.
“Toen zei ik :
Hier ben ik.
“Zoals er in de boekrol over mij geschreven staat :
Ik ben gekomen, o God, om uw wil te doen.”
Eerst zegt Hij :
“Slachtoffers en gaven,
brandoffers en zoenoffers hebt Gij niet gewild ;
die konden U niet behagen
hoewel de wet voorschrijft dat ze gebracht moeten worden.”
En dan zegt Hij :
“Hier ben ik,
ik ben gekomen om uw wil te doen.”
Hij schaft dus het eerste af om het tweede te laten gelden.
Door die wil zijn wij geheiligd, eens voor al,
door het offer van het lichaam van Jezus Christus.

VERS VOOR HET EVANGELIE                                Joh. 1, 14ab

(Alleluia.)
Het Woord is vlees geworden
en het heeft onder ons gewoond.
En wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd.
(Alleluia.)

EVANGELIE                                                       Lc. 1, 26-38
Gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd
werd de engel Gabriël van Godswege gezonden
naar een stad in Galilea, Nazaret,
tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette,
uit het huis van David ;
de naam van de maagd was Maria.
Hij trad bij haar binnen en sprak :
“Verrheug u, Begenadigde, de Heer is met u,
Gij zijt de gezegende onder de vrouwen.”
Zij schrok van dat woord
en vroeg zich af wat die groet toch wel kon betekenen.
Maar de engel zei tot haar :
“Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
“Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen
en gij moet Hem de naam Jezus geven.
“Hij zal groot zijn
en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.
“God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken
en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob
en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.”
Maria echter sprak tot de engel :
“Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken ?”
Hierop gaf de engel haar ten antwoord :
“De heilige Geest zal over u komen
en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen ;
daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht,
heilig genoemd worden, Zoon van God.
“Weet dat zelfs Elisabeth, uw bloedverwante,
in haarouderdom een zoon heeft ontvangen
en, ofschoon zij onvruchtbaar heette,
is zij nu in haar zesde maand ;
want voor God is niets onmogelijk.”
Nu zei Maria :
“Zie de dienstmaagd des Heren ;
mij geschiede naar uw woord.”
En de engel ging van haar heen.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.

Maandag derde week veertigdagentijd

Overweging
Christus komt in zijn vaderstad Nazareth, maar zijn eigen stadsgenoten stoten Hem uit de stad en willen Hem zelfs doden. Geen profeet, zegt Jezus, wordt aanvaard in zijn eigen vaderstad. Dit is een zeer scherpe terechtwijzing en zij wordt nog versterkt door de verwijzing naar Elia en naar Naäman, waar het heil naar de heidenen uitging. Tegelijk naderen we de grote beslissing van de Goede Week, maar ook de universele boodschap van het christendom dat voor allen bestemd is.

EERSTE LEZING                                                        II Kon. 5, 1-15a
Er waren veel melaatsen in Israël ; toch werd niemand van hen gereinigd, behalve de Syriër, Naäman.

Uit het tweede Boek der Koningen

In die dagen was Naäman,
de legeroverste van de koning van Aram,
zeer gezien bij zijn heer en had grote invloed,
want door hem had God de Heer voor Aram uitkomst gebracht.
Hij was een groot soldaat,
maar de man leed aan een huidziekte.
Nu hadden Arameese benden eens
een strooptocht ondernomen in Israël
en daarbij een jong meisje buitgemaakt;
dat was nu in dienst bij de vrouw van Naäman.
Ze zei tot haar meesteres :
“Och, kon mijn heer maar eens naar de profeet gaan
die in Samaria woont ;
die zou hem wel van zijn ziekte afhelpen.”
Naäman ging aan zijn heer vertellen
wat het meisje uit Israël gezegd had.
Toen zei de koning van Aram :
“Ga erheen ;
ik zal u een brief meegeven voor de koning van Israël.”

Hij ging op weg, nam tien talenten zilver,
zesduizend sikkel goud en tien feestgewaden mee,
en meldde zich met de brief bij de koning van Israël.
Daarin stond :
Met deze brief zend ik mijn dienaar Naäman tot u ;
ik verzoek u hem van zijn huidziekte te genezen.
Zodra de koning van Israël de brief gelezen had,
scheurde hij zijn kleren en zei :
“Ben ik soms God, met macht over leven en dood,
dat hij iemand naar mij toestuurt
die ik van zijn huidziekte moet genezen ?
“Let maar eens op mijn woorden :
“hij zoekt ruzie met mij.”
Toen Elisa, de man Gods,
hoorde dat de koning van Israël zijn kleren gescheurd had,
liet hij de koning vragen :
“Waarom hebt gij uw kleren gescheurd ?
Stuur hem naar mij toe.
Dan zal hij weten dat er een profeet is in Israël.”
Toen ging Naäman met zijn paarden en wagen op weg
en hield stil voor het huis van Elisa.
Deze zond iemand met de boodschap :
Was u zevenmaal in de Jordaan ;
dan zal uw huid weer gezond worden en zult gij gereinigd zijn.
Toen werd Naäman boos en ging heen.
Hij zei :
“Ik had gedacht :
hij zal naar buiten komen en vóór me gaan staan.
“Dan zal hij de naam van de Heer zijn God aanroepen,
met zijn hand over de plek strijken en de ziekte wegnemen.
“Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus,
soms niet beter dan al de wateren van Israël ?
“Kan ik mij daarin niet wassen om gereinigd te worden ?”
Hij keerde zich om en ging verontwaardigd heen.
Maar zijn dienaren gingen naar hem toe en zeiden :
“Vader, gesteld dat de profeet u iets moeilijks opgedragen had,
dan hadt gij het toch ook gedaan ?
“Waarom dan niet, nu hij u zegt dat ge u maar hoeft te wassen
om weer rein te worden ?”
Toen ging hij naar de Jordaan en dompelde zich zevenmaal onder,
zoals de man Gods gezegd had.
Zijn huid werd weer als die van een klein kind
en hij was gereinigd.
Hij keerde met heel zijn gevolg naar de man Gods terug,
trad het huis binnen,
ging vóór hem staan en zei :
“Nu weet ik dat er alleen in Israël een god is,
en nergens anders op aarde.”

TUSSENZANG                                        Ps. 42(41), 2, 3 ; 43(42), 3, 4

Mijn ziel heeft dorst naar God, de God die leeft,
zal ik Hem ooit bereiken en zijn Aanschijn zien ?

Zoals het hert de beekjes zoekt,
zo zoekt mijn geest naar U, mijn God.
Mijn ziel heeft dorst naar God, de God die leeft,
zal ik Hem ooit bereiken en zijn Aanschijn zien ?

Zend mij uw licht, uw steun om mij te leiden,
om mij te voeren naar uw berg en in uw tent.
Dan ga ik naar uw altaar, God die blijdschap geeft,
en loof U bij de citer, God, mijn God.

VERS VOOR HET EVANGELIE                                 Joh. 11, 25a en 26

Ik ben de verrijzenis en het leven, zegt de Heer ;
wie in Mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven.

EVANGELIE                                                            Lc. 4, 24-30
Zoals Elia en Elisa wordt Jezus niet enkel tot de Israëlieten gezonden.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

Toen Jezus in Nazareth kwam,
zei hij tot het volk in de synagoge :
“Voorwaar, Ik zeg u :
geen profeet wordt aanvaard in zijn eigen vaderstad.
“En het is waar wat Ik u zeg :
in de tijd van Elia immers,
toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten bleef
en een grote hongersnood uitbrak over het hele land,
waren er veel weduwen in Israël ;
toch werd Elia tot niemand van haar gezonden
dan tot een weduwe te Sarepta, in het gebied van Sidon.
“En in de tijd van de profeet Elisa
waren er veel melaatsen in Israël ;
toch werd niemand van hen gereinigd,
behalve de Syriër Naäman.”
Toen ze dit hoorden
werden allen die in de synagoge waren woedend.
Ze sprongen overeind,
joegen Hem de stad uit
en dreven Hem voort
tot aan de steile rand van de berg waarop hun stad gebouwd was,
om Hem daar in de afgrond te storten.
Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.
Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen.