http://kerkengeloof.wordpress.com

Vrijdag H. Teresia Benedicta van het Kruis, mgd. en mrt.

EERSTE LEZING                                 Hos.  2, 16b.17b. 21-22
Ik neem u als mijn bruid, voor altijd.

Uit de profeet Hoséa

Dit zegt de HEER:
“Ik zorg dat uw moeder Israël
naar de woestijn gaat en ik spreek tot haar hart.
Daar wordt zij weer gewillig,
zoals in de dagen van haar jeugd
toen zij optrok uit Egypte.
Ik neem u als mijn bruid, voor altijd,
als mijn bruid, in recht en gerechtigheid,
in goedheid en erbarming,
als mijn bruid, in onverbrekelijke trouw:
dan zult gij de HEER leren kennen.”

TUSSENZANG                          Ps. 45(44), 11-12, 14-15, 16-17

Zie, de bruidegom is daar,
ga Christus, de Heer, tegemoet (cf. Mt. 25, 6)

Luistert, dochter, wees aandachtig,
vergeet uw volk, vergeet uw vaderhuis.
Uw schoonheid wekt de liefde van de koning,
breng hem uw hulde, want hij is uw heer.

Daar treedt de koningsdochter binnen
in haar schoonheid,
haar klederen van goud-doorweven stof.
In kleurenpracht gehuld leidt men haar tot de koning,
met haar gevolg van maagden komt zij naderbij.

Men haalt hen in met blijdschap en gejuich,
zij treden binnen in de koninklijke woning.
Uw zonen nemen eens de plaats in van uw vader,
zij zullen vorsten zijn in heel het land.

EVANGELIE                                       Mt. 25, 1-13
Daar is de Bruidegom, trekt Hem tegemoet !

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
.

In die tijd vertelde Jezus zijn leerlingen deze gelijkenis:
“Het is met het Rijk der hemelen
als met tien meisjes die met hun lampen uittrokken,
de bruidegom tegemoet.
Vijf van hen waren dom, de andere vijf verstandig.
Want de dommen namen wel hun lampen mee,
maar geen olie;
de verstandigen echter namen met hun lampen
tevens kruiken olie mee.
Toen nu de bruidegom op zich liet wachten,
dommelden zij allen in en sliepen.
Maar midden in de nacht klonk er geroep:
“Daar is de bruidegom! Trekt hem tegemoet!”
Meteen waren al de meisjes wakker
en maakten hun lampen in orde.
De dommen zeiden tegen de verstandigen:
“Geeft ons wat olie, want onze lampen gaan uit.”
Maar de verstandigen antwoordden:
“Neen, er mocht eens niet genoeg zijn
voor ons en jullie samen.
Gaat liever naar de verkopers en haalt wat voor jezelf.” Maar terwijl zij onderweg waren om te gaan kopen
kwam de bruidegom,
en die klaar stonden,
traden met hem binnen om bruiloft te vieren;
en de deur ging op slot.
Later kwamen ook de andere meisjes en zeiden:
“Heer, heer, doe open!”
Maar hij antwoordde:
“Voorwaar, Ik zeg u: ik ken u niet.”
Weest dus waakzaam, want gij kent dag noch uur.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.

Zeventiende zondag door het jaar

EERSTE LEZING                                  Gen. 18, 20-32
Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik spreek.

Uit het boek Genesis
.

In die dagen zei de HEER:
“Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op!
Uitermate zwaar is hun zonde!
Ik ga naar beneden om te zien,
of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep
die tot Mij is doorgedrongen;
Ik wil het weten.”
Toen gingen de mannen op weg in de richting van Sodom.
De HEER bleef echter nog bij Abraham staan.
Abraham trad op Hem toe en zei:
“Wilt Ge werkelijk met de boosdoeners
ook de rechtvaardigen verdelgen?
Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad;
zult Gij die dan verdelgen?
Zult Gij de stad geen vergiffenis schenken
omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen?
Zoiets kunt Ge toch niet doen:
de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven!
Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners;
dat kunt Ge toch niet doen!
Zal Hij die de hele aarde oordeelt, geen recht laten geschieden?”
En de HEER zei:
“Als Ik in de stad Sodom vijftig rechtvaardigen vind,
zal Ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken.”
Abraham begon weer en zei:
“Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken,
ofschoon ik maar stof en as ben?
Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf;
zult Gij dan toch om die vijf de hele stad verwoesten?”
En Hij zei:
“Ik zal haar niet verwoesten,
als Ik er vijfenveertig vind.”
Opnieuw sprak Abraham tot Hem:
“Misschien zijn er maar veertig te vinden.”
En de HEER zei:
“Dan zal Ik het, omwille van die veertig, niet doen.”
Nu zei Abraham:
“Laat mijn Heer niet kwaad worden,
als ik nog eens aandring: misschien zijn er maar dertig te vinden.”
En de HEER zei:
“Ik zal het niet doen, als Ik er dertig vind.”
Abraham zei opnieuw:
“Ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen;
maar misschien worden er maar twintig gevonden.”
En de HEER zei:
“Ook omwille van die twintig zal Ik de stad niet verwoesten.”
Abraham zei nogmaals:
“Laat mijn Heer niet kwaad worden,
als ik nog één keer spreek, misschien zijn er maar tien te vinden.”
En de HEER zei:
“Ik zal de stad niet verwoesten, zelfs al zijn er maar tien.”

ANTWOORDPSALM                         Ps. 138(137) 1-2a, 2bc-3, 6-7ab, 7c-8

Keervers
Verhoor mij, Heer, elke dag dat ik U aanroep.

U wik ik prijzen, Heer, uit heel mijn hart,
omdat Gij naar mijn bidden hebt geluisterd.
Te midden van de engelen zing ik voor U
en werp mij neer, gebogen naar uw tempel.

U prijs ik om uw goedheid en uw trouw,
want verder dan uw faam gaat, hebt Gij woord gehouden.
Verhoor mij elke dag dat ik U aanroep,
dan geeft Ge mij weer nieuwe kracht.

De Heer is de verhevene die let op de geringe,
maar op de trotse neerziet van omhoog.
Te midden van gevaren houdt Gij mij in leven,
Gij weert de woede van mijn vijand af.

Steeds is uw uitgestrekte hand mijn redding.
De Heer volbrengt voor mij al wat ik onderneem;
uw goedheid, Heer , blijft duren zonder einder:
vergeet het maaksel van uw handen niet.

TWEEDE LEZING                                  Kolossenzen 2,12-14
God heeft u met Hem weer levend gemaakt.
Hij heeft ons al onze zonden vergeven.
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Kolosse
.

Broeders en zusters,

In de doop zijt gij met Christus begraven,
maar ook met Hem verrezen,
door uw geloof in de kracht van God
die Hem uit de dood deed opstaan.
Ook u
die dood waart ten gevolge van uw zonden
en door uw morele onbehouwenheid
heeft God weer levend gemaakt met Hem.
Hij heeft ons al onze zonden vergeven.
Hij heeft de oorkonde verscheurd,
die met haar bezwarende bepalingen tegen ons getuigde.
Hij heeft haar vernietigd en aan het kruis genageld.

Vers voor het evangelie                                         Rom.  8, 15

Alleluia.
Gij hebt de Geest van kindschap ontvangen
die ons doet uitroepen: Abba, Vader.
Alleluia.

EVANGELIE                                         Lc. 11, 1-13

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
.

Op een keer was Jezus ergens aan het bidden.
Toen Hij ophield zei een van zijn leerlingen tot Hem:
“Heer,
leer ons bidden,
zoals Johannes het ook aan zijn leerlingen geleerd heeft.“
Hij sprak tot hen:
“Wanneer ge bidt, zegt dan:
Vader, uw Naam worde geheiligd,
uw Rijk kome.
Geef ons iedere dag ons dagelijks brood,
en vergeef ons onze zonden,
want ook wijzelf vergeven aan ieder die ons iets schuldig is.
En leid ons niet in bekoring.”
Hij vervolgde:
“Stel, iemand van u heeft een vriend.
Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt:
Vriend, leen mij drie broden,
want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen
en ik heb niets om hem voor te zetten.
Zou die ander van binnen uit dan antwoorden:
Val me niet lastig;
de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed;
ik kan niet opstaan om het u te geven?
Ik zeg u,
als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is,
zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft,
om zijn onbescheiden aandringen.
Tot u zeg Ik hetzelfde:
Vraagt en u zal gegeven worden;
zoekt en gij zult vinden;
klopt en er zal worden opengedaan.
Want al wie vraagt verkrijgt;
wie zoekt vindt;
en voor wie klopt doet men open.
Is er soms onder u een vader die aan zijn zoon een steen zal geven
als deze hem om brood vraagt?
Of als hij om vis vraagt
zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven?
Of als hij een ei vraagt
zal hij hem toch geen schorpioen geven?
Als gij dus – ofschoon ge slecht zijt –
goede gaven aan uw kinderen weet te geven,
hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel
de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.

HH. Joachim en Anna, ouders van de H. Maagd Maria

EERSTE LEZING                                  Ex. 20, 1-17
De Wet werd door Mozes gegeven.

Uit het boek Exodus
.

In die dagen sprak God al de woorden die hier volgen:
“Ik ben de HEER uw God,
die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.
Gij zult geen andere goden hebben, ten koste van Mij.
Gij zult geen godenbeelden maken.
geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel,
beneden op aarde of in de wateren onder de aarde.
Gij zult u voor hen niet ter aarde buigen
en hun geen goddelijke eer bewijzen;
want Ik, de HEER uw God,
Ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse God
die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen,
tot het derde en vierde geslacht,
maar voor hen die Mij liefhebben
en mijn geboden onderhouden,
een God die goedheid bewijst tot aan het duizendste geslacht.
Gij zult de naam van de HEER uw God
niet lichtvaardig gebruiken:
want de HEER laat degenen
die zijn naam lichtvaardig gebruiken niet ongestraft.
Denk aan de sabbat die moet heilig voor u zijn.
Zes dagen zult gij werken en alle arbeid verrichten.
Maar de zevende dag is de sabbat voor de HEER uw God.
Dan moogt gij geen enkele arbeid verrichten:
gijzelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet,
uw slaaf niet, uw slavin niet, uw dieren niet,
zelfs niet de vreemdeling die bij u woont.
In zes dagen immers heeft de HEER
de hemel, de aarde, de zee met al wat erin is, gemaakt.
Maar de zevende dag heeft Hij gerust
en zo de sabbat gezegend en tot een heilige dag gemaakt.
Eer uw vader en uw moeder.
Dan zult gij lang leven
op de grond die de HEER uw God u schenkt.
Gij zult niet doden.
Gij zult geen echtbreuk plegen.
Gij zult niet stelen.
Gij zult tegen uw naaste niet leugenachtig getuigen.
Gij zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste;
gij zult niet uw zinnen zetten op de vrouw van uw naaste,
niet op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel,
op niets wat hem toebehoort.”

TUSSENZANG                                Ps. 19(18), 8, 9, 10, 11

Uw woorden, Heer,
zijn woorden van eeuwig leven

De wet van de Heer is volkomen,
zij sterkt de onzekere geest.
Zijn voorschriften zijn betrouwbaar,
onwetenden maken zij wijs.

Rechtmatig zijn al zijn bevelen,
bervredigend voor het gemoed.
Glashelder zijn zijn geboden,
zij zijn een licht voor het oog.

Het woord van de Heer is eerlijk,
het blijft in eeuwigheid waar.
Zijn uitspraken zijn waarachtig,
rechtvaardig in iedere zaak.

Gezocht meer dan goud of juwelen,
welsmakend als honingzeem;

ALLELUIA                                              Ps.  119(118), 135

Alleluia.
Laat voor uw dienaar uw Aangezicht stralen, Heer,
laat mij uw beschikkingen zien.
Alleluia.

EVANGELIE                                     Mt. 13, 18-23
Die het woord hoort en begrijpt, draagt   ook vrucht.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
.

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Gij dan,
luistert naar de gelijkenis van de zaaier:
Zo dikwijls iemand het woord van het Koninkrijk
wel hoort maar niet begrijpt,
komt de boze en rooft weg wat gezaaid ligt in zijn hart;
dat is degene die op de weg gezaaid is.
Die op rotsachtige plekken werd gezaaid, is hij
die het woord hoort en het terstond met blijdschap opneemt:
maar hij heeft geen wortel geschoten,
hij leeft bij het ogenblik,
en als hij
omwille van het woord onderdrukt of vervolgd wordt,
komt hij onmiddellijk ten val.
Die gezaaid werd tussen distels is hij
die het woord wel hoort,
maar dit wordt door de zorgen van de wereld
en de begoocheling van de rijkdom verstikt
en zo blijft het zonder vrucht.
Maar die in goede aarde werd gezaaid, is hij
die het woord hoort en begrijpt, en daarom vrucht draagt;
bij de één is de opbrengst honderdvoudig,
bij een ander zestigvoudig en bij een andere dertigvoudig.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.

Donderdag H. Jakobus, apostel

EERSTE LEZING                                II  Kor. 4, 7-15
Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee.

Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte

Broeders en zusters,

Wij dragen een schat in aarden potten;
duidelijk blijkt
dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons.
Wij worden aan alle kanten bestookt
maar raken toch niet klem;
wij zien geen uitweg meer
maar zijn nooit ten einde raad;
wij worden opgejaagd
maar niet in de steek gelaten;
wij worden neergeveld
maar gaan er niet aan dood.
Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee,
want ook het leven van Jezus
moet in ons lichaam openbaar worden.
Voortdurend wordt ons leven
aan de dood uitgeleverd om Jezus’ wil
opdat ook het leven van Jezus
zich zou openbaren in ons sterfelijk bestaan.
Zo verricht de dood zijn werk in ons en het leven in u.
Maar wij bezitten die geest van geloof waarvan de Schrift zegt:
“Ik heb geloofd,
daarom heb ik gesproken.”
Ook wij geloven en daarom spreken wij.
Want wij weten
dat Hij die de Heer Jezus van de doden heeft opgewekt,
ook ons evenals Jezus ten leven zal wekken
om ons tot zich te voeren, samen met u.
Want alles gebeurt voor u:
de genade moet zich in velen vermenigvuldigen
zodat steeds meer mensen dank brengen aan God,
tot eer van zijn naam.

TUSSENZANG                     Ps. 126(125), 1-2ab, 2cd-3, 4-5, 6

Die onder tranen zaaien
zij oogsten met gejuich.

De Heer bracht Sions ballingen terug :
het was alsof wij droomden.
Toen lachten alle monden
en juichte elke tong.

Toen zei men bij de volken :
geweldig is het wat de Heer hen deed.
Geweldig was het wat de Heer ons deed,
daarom zijn wij zo blij.

Keer nu ons lot ten goede, Heer,
zoals een beek doet in de Zuid-woestijn.
Die onder tranen zaaien
zij oogsten met gejuich.

Vol zorgen gaan zij uit
met zaaizakken beladen ;
maar keren zingend weer
beladen met hun schoven.

ALLELUIA                                             Joh.  15,16

Alleluia.
Ik heb u uitgekozen
en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan
en vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn.
Alleluia.

EVANGELIE                              Mt.  20, 20-28
Mijn beker zult gij drinken.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
.

Toentertijd trad de moeder van de zonen van Zebedeüs
samen met hen op Jezus toe
en wierp zich voor zijn voeten om Hem iets te vragen.
Hij sprak tot haar:
“Wat verlangt ge?”
Zij antwoordde Hem:
“Laat deze twee jongens van mij in uw Koninkrijk zitten,
één aan uw rechter- en één aan uw linkerhand.”
Maar Jezus antwoordde:
“Gij weet niet wat ge vraagt.
Zijt gij in staat de beker te drinken die Ik ga drinken?”
Zij zeiden Hem:
“Ja, dat kunnen wij.”
Hij sprak:
“Inderdaad, mijn beker zult gij drinken,
maar het is niet aan Mij
u te doen zitten aan mijn rechter- of linkerhand,
omdat alleen zij dit verkrijgen
voor wie mijn Vader dit heeft bereid.”
Toen de tien anderen dit hoorden
werden zij kwaad op de beide broers.
Jezus echter riep hen bij zich en sprak:
“Gij weet dat de heersers der volkeren
hen met ijzeren vuist regeren
en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen.
Dit mag bij u niet het geval zijn;
wie onder u groot wil worden
moet dienaar van u zijn,
en wie onder u de eerste wil zijn
moet slaaf van u wezen,
zoals ook de Mensenzoon
niet gekomen is om gediend te worden,
maar om te dienen
en zijn leven te geven als losprijs voor velen.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.

Maandag H. Maria Magdalena

EERSTE LEZING                                    Hoogl. 3, 1-4a
Ik vond mijn zielsbeminde !

Uit het Hooglied

Zo spreekt de bruid;
“Des nachts op mijn bed zoek ik mijn zielsbeminde,
maar hoe ik ook zoek, ik vind hem niet.
“Ik sta op, doorkruis de stad,
zoek op pleinen en in straten naar mijn zielsbeminde,
maar hoe ik ook zoek, ik vind hem niet.
“Daar kom ik de wachters tegen die de stad doorkruisen :
Hebt gij mijn zielsbeminde gezien?
“Nauwelijks ben ik ze voorbij,
of daar vind ik mijn zielsbeminde!”

EERSTE LEZING                                      II Kor. 5, 14-17
Nu beoordelen wij Christus niet meer naar de oude maatstaven.

Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte

Broeders en zusters,

De liefde van Christus laat ons geen rust
sinds wij hebben ingezien dat Een is gestorven voor allen.
Maar dan zijn allen gestorven!
En Hij is voor allen gestorven
opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven,
maar voor Hem die ter wille van hen is gestorven en verrezen.
Daarom beoordelen wij voortaan niemand meer
naar de oude maatstaven.
En al hebben wij Christus ooit op zulke wijze beoordeeld,
dan nu toch niet meer.
Zo is dus wie in Christus is een nieuwe schepping :
het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen.

TUSSENZANG                                    Ps. 63(62),2, 3-4, 5-6,8-9

Naar U, Heer, dorst mijn ziel en hunkert mijn hart.

God, mijn God zijt Gij,
ik zoek U met groot verlangen.
Naar U dorst mijn ziel en hunkert mijn hart
als dorre akkers naar regen.

Zo zie ik omhoog naar de plaats waar Gij woont,
beschouw ik uw macht en uw glorie.
Meer waard dan het leven is mij uw genade,
mijn mond verkondigt uw lof.

Ik zal U prijzen zolang ik leef,
mijn handen uitstrekken naar U.
Mijn ziel wordt verzadigd met voedzame spijs,
mijn mond zal U jubelend danken.

Want Gij zijt altijd mijn beschermer geweest,
ik koester mij onder uw vleugels.
Met heel mijn hart houd ik vast aan U,
het is Uw hand die mij steunt.

ALLELUIA

Alleluia.
Zeg het ons, Maria,
wat hebt gij gezien onderweg?
Het graf van Christus dat leeg was,
de glorie van Hem die is opgestaan.
Alleluia.

EVANGELIE                                       Joh. 20, 1.11-18
Vrouw, waarom schreit ge? Wie zoekt ge ?

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Op de eerste dag van de week kwam Maria Magdalena
vroeg in de morgen – het was nog donker – bij het graf
en zag dat de steen van het graf was weggerold.
Buiten bij het graf stond zij te schreien,
en al schreiend boog zij zich naar het graf toe
en zag op de plaats waar Jezus’ lichaam gelegen had,
twee in het wit geklede engelen zitten,
een aan het hoofdeinde en een aan het voeteinde.
Zij spraken haar aan :
“Vrouw, waarom schreit ge?”
Zij antwoordde :
“Zij hebben mijn Heer weggenomen
en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.”
Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om
en zag Jezus staan, maar zonder te weten dat het Jezus was.
Jezus zei tot haar:
“Vrouw, waarom schreit ge?
“Wie zoekt ge?
In de mening dat het de tuinman was vroeg zij :
“Heer, mocht gij Hem hebben weggebracht,
zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd
zodat ik Hem kan weghalen.”
Daarop zei Jezus tot haar :
“Maria!”
Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws :
“Rabboeni !”
wat leraar betekent.
Toen sprak Jezus :
“Houd Mij niet vast
want ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader,
maar ga naar mijn broeders en zeg hun :
Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader,
naar mijn God en uw God.”
Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten
dat zij de Heer gezien had,
en wat Hij haar gezegd had.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.

Zestiende zondag door het jaar

EERSTE LEZING                             Gen. 18, 1-10a
Heer, ga uw dienaar niet voorbij.

Uit het boek Genesis
.

In die dagen verscheen de HEER aan Abraham
bij de eik van Mamre,
terwijl hij op het heetst van de dag
bij de ingang van zijn tent zat.
Hij sloeg zijn ogen op
en zag plotseling drie mannen voor zich staan.
Meteen liep hij van de ingang van zijn tent naar hen toe.
Hij boog diep en zei:
“Wees zo welwillend, heer,
uw dienaar niet voorbij te gaan.
Ik zal water laten brengen;
was uw voeten en rust hier onder de boom.
Ik zal brood voor u halen om u te sterken voor uw verdere reis;
gij zijt niet voor niets bij uw dienaar langs gekomen.”
Zij zeiden: “Heel graag.”
Abraham ging haastig de tent in naar Sara en zei:
“Neem gauw drie maten fijn meel, kneed het en bak er koeken van.”
Daarna liep Abraham naar de kudde,
zocht een lekker mals kalf uit en gaf het aan zijn knecht
om het snel klaar te maken.
Toen bracht hij hun kaas en melk,
en het kalf dat hij had laten toebereiden,
en zette hun dat alles voor.
Terwijl zij aten bleef hij bij hen staan, onder de boom.
Toen vroegen ze hem: “Waar is Sara, uw vrouw?”
Abraham antwoordde: “Daar in de tent.”
Toen zei de bezoeker:
“Over een jaar kom Ik weer bij u terug;
dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben.”

Antwoordpsalm                                    Ps. 15(14), 2-3a, 3bc-4ab, 5

Keervers
Heer, wie mag te gast zijn in uw tent?

Wie rechtvaardig is en eerbaar leeft,
in zijn hart geen boze plannen koestert,
geen bedrog pleegt met zijn tong.

Wie zijn evenmens geen schade doet
en zijn buren niet te schande zet;
Wie de boosdoener veracht,
maar de dienaars van de Heer in ere houdt.

Wie zijn bezit niet uitleent tegen woeker,
als getuige niet omkoopbaar is.
Wie zich zo gedraagt,
zal niet wankelen in eeuwigheid.

TWEEDE LEZING                                    Kol. 1, 24-28
Het geheim, dat verborgen was voor alle eeuwen, is nu geopenbaard aan zijn heiligen.

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Kolosse

Broeders en zusters,

Ik verheug mij
dat ik voor u mag lijden, en in mijn lijdend lichaam aanvullen
wat nog ontbreekt aan de beproevingen van de Christus,
ten bate van zijn lichaam dat de kerk is.
Ik ben haar dienaar geworden
krachtens de opdracht die God mij gegeven heeft;
namelijk om u het woord Gods te brengen in heel zijn volheid:
om het geheim te verkondigen
dat verborgen was voor alle eeuwen en alle generaties,
maar dat nu is geopenbaard aan zijn gelovigen.
Hen heeft God bekend willen maken
hoe machtig en hoe wonderbaar
dit geheim is onder de heidenvolken.
En dit geheim bestaat hierin:
“Christus in u”,
en ook:
“hoop op een eeuwige heerlijkheid.”
Hem verkondigen wij dus
wanneer wij allen, zonder onderscheid,
vermanen en onderrichten met alle wijsheid die ons gegeven is
om ook allen, zonder onderscheid,
in Christus tot volmaaktheid te brengen.

Vers voor het evangelie                               Vgl. Lc. 8, 15

Alleluia.
Zalig zij die het woord van God
in een goed en edel hart bewaren
en vrucht voortbrengen
door hun standvastigheid.
Alleluia.

EVANGELIE                                       Lc. 10, 38-42
Marta ontving Hem in haar woning;
Maria heeft het beste deel gekozen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas
.

In die tijd kwam Jezus in een dorp
en een vrouw die Marta heette, ontving Hem in haar woning.
Ze had een zuster, Maria, die
– gezeten aan de voeten van de Heer –
luisterde naar zijn woorden.
Marta werd in beslag genomen door de drukte van het bedienen,
maar ze kwam er een ogenblik bij staan en zei:
“Heer, laat het U onverschillig,
dat mijn zuster mij alleen laat bedienen?
zeg haar dan dat ze mij moet helpen.”
De Heer gaf haar ten antwoord:
“Marta, Marta,
wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen.
Slechts één ding is nodig.
Maria heeft het beste deel gekozen
en het zal haar niet ontnomen worden.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.

Vijftiende week door het jaar Vrijdag

EERSTE LEZING                                    Ex. 11, 10-12,14
In de avondschemering moet gij het lam slachten ;
als Ik het bloed aan uw huizen zie, zal Ik u voorbijgaan.

Uit het boek Exodus

In die dagen
verrichtten Mozes en Aäron vele wonderen voor Farao,
maar de HEER maakte Farao halsstarrig;
hij liet de Israëlieten niet uit zijn land vertrekken.
God de HEER richtte het woord
tot Mozes en Aäron in Egypte en sprak:
“Deze maand moet gij beschouwen als de beginmaand,
als de eerste maand van het jaar.
Maakt aan heel de gemeenschap van Israël het volgende bekend:
Op de tiende van deze maand
moet ieder gezin een lam uitkiezen,
ieder huis één lam.
Als een gezin te klein is voor een lam,
dan moeten ze, rekening houdend met het aantal personen,
samen doen met hun naaste buurman.
Bij het verdelen van het lam
moet er rekening gehouden worden met ieders eetlust.
Het lam moet gaaf zijn, van het mannelijk geslacht en éénjarig.
Ge kunt er een schaap of een geit voor nemen.
Ge moet de dieren vasthouden
tot aan de veertiende van de maand.
Dan moet heel de verzamelde gemeenschap van Israël ze slachten in de avondschemering.
Vervolgens moet gij wat bloed nemen
en dat uitstrijken over de beide deurposten
en over de bovenbalk van de deur
van alle huizen waar het lam gegeten wordt.
In diezelfde nacht moet het vlees gegeten worden,
op het vuur gebraden.
Het moet gegeten worden met ongezuurd brood
en bittere kruiden.
Ge moogt het niet rauw eten of gekookt in water,
maar alleen gebraden op het vuur,
met kop, poten en ingewanden.
Zorgt dat er niets van over is, als de zon opgaat.
Wat bij zonsondergang nog over zou zijn moet ge verbranden.
En dit is de wijze waarop gij het lam moet eten:
uw lendenen omgord, uw voeten geschoeid
en uw stok in de hand.
Haastig moet ge het eten want het is pasen voor de HEER.
Deze nacht zal Ik door Egypte gaan
en alle eerstgeborenen van Egypte,
zowel mensen als dieren, zal Ik slaan.
Aan alle goden van Egypte zal Ik het vonnis voltrekken.
Maar het bloed aan de huizen zal een teken zijn
dat gij daar woont.
Als Ik het bloed aan uw huizen zie,
zal Ik u voorbijgaan.
Geen vernietigende plaag zal u treffen als Ik Egypte sla.
Deze dag moet gij tot een gedenkdag maken,
ge moet hem vieren als een feest ter ere van de HEER.
Van geslacht tot geslacht
moet ge hem als een eeuwige instelling vieren.”

TUSSENZANG                                 Ps. 116(115), 12-13, 15-16bc, 17-18

Ik hef de offerbeker,
de Naam van de Heer roep ik aan.
Alleluia

Hoe kan ik mijn dank betuigen
voor al wat de Heer mij gaf?
Ik hef de offerbeker,
de Naam van de Heer roep ik aan.

Want kostbaar is in zijn ogen
het leven van wie Hem vereert,
O Heer, ik ben uw dienaar,
uw knecht, de zoon van uw dienstmaagd,
Gij hebt mijn boeien geslaakt.

Met offers zal ik U loven,
de Naam van de Heer roep ik aan.
Ik zal mijn geloften volbrengen
waar heel zijn volk het ziet.

ALLELUIA                                      Ps. 119(118), 18

Alleluia.
Ontsluit mijn ogen om te aanschouwen, Heer,
de heerlijkheid van uw wet.
Alleluia.

EVANGELIE                                   Mt. 12, 1-8
De Mensenzoon is Heer van de sabbat.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs
.

Eens ging Jezus op een sabbat door de korenvelden;
zijn leerlingen nu kregen honger
en begonnen aren te plukken en te eten.
De Farizeeën zagen dat en zeiden tot Hem:
“Uw leerlingen doen daar iets wat op sabbat niet geoorloofd is.”
Hij gaf hun ten antwoord:
“Hebt gij niet gelezen wat David deed
toen hij en zijn metgezellen honger kregen?
Hoe hij het huis van God binnenging en de toonbroden opat
die noch hij, noch zijn metgezellen,
maar alleen de priesters mochten eten?
Of hebt gij niet in de Wet gelezen,
dat de priesters elke sabbat in de tempel de sabbat schenden
en toch niet schuldig zijn?
Ik echter zeg u:
Hier is meer dan de tempel.
Indien het maar
tot u doorgedrongen was wat het zeggen wil:
Ik wil liever barmhartigheid dan offers,
dan zoudt gij deze onschuldigen niet veroordeeld hebben.
Want de Mensenzoon is Heer van de sabbat.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.

Woensdag in de vijftiende week door het jaar

Uitnodiging

Mag ik hiermee Uw aandacht vragen voor
het dagelijks lezen van het Evangelie?

Deze uitnodiging wil U deelgenoot maken aan de vreugde
van het evangelie. Iedereen, niemand uitgezonderd,
kan die vreugde ervaren door zijn hart open te stellen
voor de genezende werking van Gods woord.

Iedere dag beschikbaar.

Overweging

Het brandende braambos staat al eeuwen symbool voor de godservaring van de mens. De ervaring van Gods nabijheid heeft twee wezenlijke, schijnbaar tegengestelde kenmerken. Enerzijds ondervinden we een groter schroom, een huiver voor de ontzagwekkende God (hier vertaald in :”Kom niet dichterbij”; “Hij bedekte zijn gezicht”). Anderzijds ervaren we ook een wonderlijke aantrekkingskracht die ons aangrijpt, fascineert, en die ons daarvoor juist uitnodigt om dichterbij te komen. Het is goed dat we in ons eigen leven deze twee elementen proberen te ontdekken.

 

EERSTE LEZING               Ex. 3, 1-6. 9-12
De engel des Heren verscheen in een vuur
dat opvlamde uit een doornstruik.

Uit het boek Exodus

In die dagen
hoedde Mozes de kudde van zijn schoonvader Jitro,
de priester van Midjan.
Eens dreef hij de kudde tot ver in de woestijn
en kwam hij bij de berg van God, de Horeb.
Toen verscheen hem de engel van de HEER
in een vuur dat opvlamde uit een doornstruik.
Mozes keek toe en zag dat de doornstruik
in lichterlaaie stond en toch niet verbrandde.
Hij dacht:
“Ik ga erop af om dat vreemde verschijnsel te onderzoeken.
Hoe komt het dat die doornstruik niet verbrandt?”
De HEER zag hem naderbij komen om te kijken.
En vanuit de doornstruik riep God hem toe:
“Mozes, Mozes.”
“Hier ben ik”, antwoordde hij.
Toen sprak de HEER:
“Kom niet dichterbij, doe uw sandalen uit,
want de plaats waar gij staat is heilige grond.”
En Hij vervolgde:
“Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham,
de God van Isaäk en de God van Jakob.”
Toen bedekte Mozes zijn gezicht
want hij durfde niet naar God op te zien.
Ook sprak God tot Mozes:
“Het geweeklaag van de Israëlieten is nu tot Mij doorgedrongen
en Ik heb ook gezien
hoezeer de Egyptenaren hen onderdrukken.
Ga er dus heen, Ik zend u naar Farao.
Gij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte leiden.”
Maar Mozes sprak tot God:
“Wie ben ik dat ik naar Farao zou gaan
en dat ik de Israëlieten uit Egypte zou leiden?”
God antwoordde hem:
“Ik zal u bijstaan en dit is het teken
dat Ik het ben die u zendt:
als gij het volk uit Egypte hebt geleid,
zult gij Mij vereren op deze berg.”

TUSSENZANG                      Ps. 103(102), 1-2, 3-4, 6-7

De Heer is barmhartig en welgezind.

Verheerlijk, mijn ziel, de Heer,
zijn heilige Naam uit het diepst van uw wezen !
Verheerlijk, mijn ziel, de Heer,
vergeet zijn weldaden niet !

Hij is het die u uw schulden vergeeft,
die u geneest van uw kwalen.
Hij is het die u van de ondergang redt,
die u omringt met zijn gunst en erbarmen.

De Heer is rechtvaardig in al wat Hij doet,
Hij laat de verdrukten recht wedervaren.
Hij maakte aan Mozes zijn wegen bekend,
Hij toonde zijn werken aan Israëls zonen.

 

ALLELUIA                  Ps. 95(94), 8ab

Alleluia.
Luistert heden naar de stem van de Heer
en weest niet halsstarrig.
Alleluia

 

EVANGELIE                   Mt. 11, 25-27
Deze dingen hebt Gij, Vader,
verborgen
gehouden voor wijzen en verstandigen,
maar geopenbaard aan kinderen.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs

Op zeker ogenblik nam Jezus het woord en sprak:
“Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde,
omdat Gij deze dingen
verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen,
maar ze hebt geopenbaard aan kinderen.
Ja, Vader, zo heeft het U behaagd.
Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven.
Niemand kent de Zoon tenzij de Vader,
en niemand kent de Vader tenzij de Zoon
en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren.”

________________________________________________________

Laudato Si

Encycliek van

PAUS FRANCISCUS

Over de zorg voor het gemeenschappelijke huis

235. De Sacramenten zijn een bevoorrechte wijze waarop de natuur van God wordt aangenomen en veranderd in een bemiddeling van het bovennatuurlijke leven. Door de eredienst worden wij uitgenodigd de wereld op een ander niveau te omarmen. Water, olie, vuur en kleuren worden met heel hun symbolische kracht aanvaard en worden opgenomen in de lofprijzing. De zegenende hand is instrument van de liefde van God en weerspiegeling van de nabijheid van Christus, die is gekomen om ons te begeleiden op de levensweg. Het water dat bij het Doopsel over het lichaam van het kind wordt gegoten, is teken van nieuw leven. Wij ontvluchten de wereld niet, noch negeren wij de natuur, wanneer wij God willen ontmoeten. Dit kan men in het bijzonder gewaar worden in de spiritualiteit van het christelijke Oosten: “Overal wordt de schoonheid zichtbaar, een van de meest geliefde termen in het Oosten om de goddelijke harmonie en het model van de verheerlijkte mensheid te verwoorden: in de vorm van de Kerk, de klanken, de kleuren, de lichten, de geuren”.  Voor de christelijke ervaring vinden alle schepselen van het materiële heelal hun ware zin in het vleesgeworden Woord, omdat Gods Zoon in zijn persoon een deel van het materiële heelal heeft opgenomen, waar Hij een kiem van definitieve verandering heeft gelegd: ”Het Christendom staat niet afwijzend tegenover de materie, de lichamelijkheid, het laat deze integendeel geheel tot haar recht komen in het liturgisch handelen waarin het menselijk lichaam toont ten diepste tempel te zijn van de Heilige Geest en waarin het zich verenigt met Jezus de Heer, die ook een lichaam heeft aangenomen voor het heil van de wereld”.

Wordt vervolgd

 

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling,
©Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.

Overwegingen uit Liturgische suggesties voor de weekdagen en de zondagen
Laudato Si Officiële Nederlandse vertaling
_____________________________________________________________________________

Vijftiende zondag door het jaar

EERSTE LEZING Deut. 30, 10-14
Het woord is dicht bij u. Gij kunt het volbrengen.

Uit het boek Deuteronomium
.

In die dagen sprak Mozes tot het volk:

“Als gij de stem van de HEER uw God hoort,
dan moet ge Hem gehoorzamen
en alle geboden en voorschriften onderhouden,
die in dit wetboek staan opgetekend;
dan moet gij met heel uw hart en heel uw ziel
terugkeren tot de HEER uw God.

De geboden die Ik u heden geef zijn niet te zwaar voor u
en zij liggen niet buiten uw bereik.
Zij zijn niet in de hemel en gij hoeft niet te zeggen:
Wie zal naar de hemel opvaren
om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen,
zodat wij ze kunnen volbrengen?
Ze zijn niet overzee en ge hoeft niet te zeggen:
Wie zal de zee overvaren
om ze voor ons te halen en ze ons te laten horen,
zodat wij ze kunnen volbrengen?
Neen, het woord is dicht bij u,
in uw mond en in uw hart.
Gij kunt het dus volbrengen.”

Antwoordpsalm Ps. 69(68) 14ab en 17, 30-31, 33-34, 36ab en 37

Keervers
Gij, nederigen van hart, zoekt de Heer.

Mijn gebed, Heer, richt ik tot U,
nu is het de tijd van genade.
Verhoor mij, Heer, want mild is uw zegen,
sta mij met heel uw barmhartigheid bij.

Ik ga gebogen onder mijn smart;
God, laat uw hulp mij beschermen.
Gods Naam zal ik loven in mijn gezang,
Hem dankbaar overal prijzen.

Ziet toe, geringen, en weest verheugd,
schept moed, gij allen die God zoekt.
God luistert naar wat een arme hem vraagt,
vergeet zijn gevangenen niet.

Want God zal Sion verlossen,
Hij bouwt Juda’s steden weer op.
Hun kroost zal het land weer erven.
Gods naam zal in ere zijn.

TWEEDE LEZING Kol. 1, 15-20
Door Hem en in Hem is alles geschapen.

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Kolosse

Broeders en zusters,

Christus Jezus is het beeld van de onzichtbare God,
de eerstgeborene van heel de schepping.
Want in Hem is alles geschapen
in de hemelen en op de aarde,
het zichtbare en het onzichtbare,
tronen en hoogheden,
heerschappijen en machten.
Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem.
Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.
Hij is ook het hoofd van het lichaam dat de kerk is.
Hij is de oorsprong,
de eerste die van de dood is opgestaan
om in alles de hoogste te zijn,
Hij alleen.
Want in Hem heeft God willen wonen in heel zijn volheid
om door Hem het heelal met zich te verzoenen
en vrede te stichten door het bloed,
aan het kruis vergoten
om alles in de hemel en op aarde te verzoenen,
door Hem alleen.

Vers voor het evangelie Joh. 6, 64b.69b

Alleluia.
Uw woorden, Heer, zijn geest en leven,
Gij hebt woorden van eeuwig leven.
Alleluia.

EVANGELIE Lc. 10, 25-37
Wie is mijn naaste?

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas

In die tijd trad een wetgeleerde naar voren
om Jezus op de proef te stellen.
Hij zeide:
“Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?”
Jezus sprak tot hem:
“Wat staat er geschreven in de wet?
Wat leest ge daar?”
Hij gaf ten antwoord:
“Gij zult de Heer uw God beminnen
met geheel uw hart en met geheel uw ziel;
met al uw krachten en geheel uw verstand;
en uw naaste gelijk uzelf.”
Jezus zei: “Uw antwoord is juist, doe dat en ge zult leven.”
Maar omdat hij zijn vraag wilde verantwoorden,
sprak de wetgeleerde tot Jezus:
“En wie is dan mijn naaste?”
Nu nam Jezus weer het woord en zei:
“Eens viel iemand, die op weg was van Jeruzalem naar Jericho,
in handen van rovers.
Ze plunderden en mishandelden hem
en toen ze aftrokken lieten ze hem half dood liggen.
Bij toeval kwam er juist een priester langs die weg;
hij zag hem wel maar liep in een boog om hem heen.
Zo deed ook een leviet: hij kwam daar langs, zag hem,
maar liep in een boog om hem heen.
Toen kwam een Samaritaan die op reis was bij hem,
hij zag hem en kreeg medelijden;
hij trad op hem toe, goot olie en wijn op zijn wonden en verbond ze;
daarna tilde hij hem op zijn eigen rijdier,
bracht hem naar een herberg en zorgde voor hem.
De volgende morgen haalde hij twee denariën te voorschijn,
gaf ze aan de waard en zei:
“zorg voor hem, en wat ge meer mocht besteden,
zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden.”
Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn
van de man die in handen van de rovers gevallen is?”
Hij antwoordde:
“Die hem barmhartigheid betoond heeft.”
En Jezus sprak:
“Ga dan en doet gij evenzo.”

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.

Veertiende week door het jaar Vrijdag

EERSTE LEZING Gen. 46, 1-7. 28-30
Laat de dood nu maar komen !
Ik heb u nu weer gezien en weet dat ge nog leeft !

Uit het boek Genesis
.

In die dagen ging Israël op weg met al de zijnen.
Hij kwam in Berséba en droeg daar slachtoffers op
aan de God van zijn vader Isaäk.
En God sprak tot Israël in een nachtelijk visioen:
“Jakob, Jakob!”
Hij antwoordde:
“Hier ben ik.”
God zei: “Ik ben God, de God van uw vader.
Gij moet er niet tegen opzien naar Egypte te trekken;
want Ik zal daar een groot volk van u maken.
Ikzelf zal u naar Egypte vergezellen
en Ik zal u ook weer terugbrengen.
Jozef zal u de ogen sluiten.”
Toen verliet Jakob Berséba.
Israëls zonen lieten hun vader Jakob,
hun kleine kinderen en hun vrouwen reizen op de wagens
die Farao daarvoor had meegegeven.
Ook hun veestapel en hun bezittingen namen ze mee,
alwat ze in Kanaän verworven hadden.
Zo trok Jakob met al zijn nakomelingen naar Egypte.
Zijn zonen en kleinzonen, zijn dochters en kleindochters,
al zijn nakomelingen nam hij mee naar Egypte.
Jacob stuurde Juda naar Jozef met het verzoek,
in Gosen bij hem te komen.
Toen zij in Gosen aangekomen waren,
liet Jozef zijn wagen inspannen en reed naar Gosen
om zijn vader Israël te begroeten.
Toen hij hem ontmoette,
viel hij hem om de hals
en bleef lange tijd op zijn schouder schreien.
Israël sprak tot Josef:
“Laat de dood nu maar komen!
Ik heb u nu weer gezien en weet dat ge nog leeft!”

TUSSENZANG Ps. 37(36), 3-4, 18-19, 27-28, 39-40

Het heil van de vromen komt van de Heer.

Vertrouw op de Heer en doe wat goed is,
dan zult gij veilig uw land bewonen.
Zoek uw geluk bij de Heer,
Hij geeft u wat uw hart begeert.

De Heer draagt zorg voor het leven der vromen,
hun erfdeel blijft voor altijd bijeen.
Zij staan niet verlegen in tijden van rampspoed,
maar worden verzadigd bij hongersnood.

Blijft ver van het kwaad en doe wat goed is,
dan moogt ge voor eeuwig hier wonen ;
want God bemint de gerechtigheid,
verlaat zijn getrouwen niet.

Het heil van de vromen komt van de Heer ;
Hij is hun toevlucht in tijden van kwelling.
De Heer staat hen bij en bevrijdt hen,
Hij redt die zich tot Hem wenden.

ALLELUIA 1 Sam. 3, 9; Joh. 6, 69b

Alleluia.
Spreek Heer, uw dienaar luistert ;
uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.
Alleluia.

EVANGELIE Mt. 10, 16-23
Niet gij zijt het die spreekt,
maar door u spreekt de Geest van de Vader.

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs.
.

In die tijd zei Jezus tot de twaalf:
“Zie, Ik zend u als schapen tussen wolven.
Weest dus omzichtig als slangen en argeloos als duiven.
Neemt u in acht voor de mensen.
Zij zullen u overleveren aan de rechtbanken
en u geselen in hun synagogen.
Gij zult voor stadhouders en koningen gebracht worden
omwille van Mij,
om zo ten overstaan van hen en de heidenen
getuigenis af te leggen.
Maakt u echter, wanneer men u overlevert,
niet bezorgd over het hoe en wat van uw spreken:
op dat ogenblik zal u worden ingegeven wat gij moet zeggen.
Want niet gij zijt het die spreekt,
maar door u spreekt dan de Geest van uw Vader.
De ene broer zal de andere overleveren om hem te laten doden;
de vader zijn kind;
de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders
en hen ter dood doen brengen.
Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen,
omwille van mijn Naam.
Wie echter ten einde toe volhardt,
hij zal gered worden.
Wanneer men u in de ene stad vervolgt
vlucht dan naar een andere.
Voorwaar, Ik zeg u:
Gij zult niet gereed gekomen zijn met de steden van Israël
op het ogenblik dat de Mensenzoon komt.

De bijbeltekst in deze uitgave is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004/2007.